More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Voor Heer H.

1966. Ik was 22. Jong en sterk en ongelukkig, maar soms was er een meisje en alle dagen bier. Geld ook, al werkte ik niet meer. Dit geld, genaamd poentje, ging ik elke week halen, op vrijdag, bij een loket van Sociale Zaken aan de Marnixstraat.

Het was er een drukte van belang. Gezellig, je zag er veel bekenden. Niemand die zich schaamde, want het geld was ervoor. Het was door de Hoge Omes in Den Haag bestemd om uit te delen onder mensen die zelf even geen geld hadden. Dus dat zat wel snor.

In de lange rijen voor het loket stonden ook wel agitatoren – roden en zwarten en lui die met Maotjes liepen – die met allerlei analyses aantoonden dat de wonderbare poenvermenigvuldiging slechts tot doel had het volk in de consumptie-ijzers te slaan.

Zelf pakten zij het geld alleen aan om de krantjes te kunnen stencillen waarin het complot tijdig werd ontmaskerd. Wenste de kameraad zich te abonneren?

Bedankt, ik schreef al voor mijn eigen.

Parafrasen, van Poe tot Kafka, maar een verlossende Brief aan Vader zat er nooit bij. Wel had ik er mijn uitkering mee verdiend. Op een dag had ik, in een vreemde kroeg, knap aan de vracht, een van mijn slappe Roland-Holsterige verzen voorgedragen, toen ik in gesprek geraakte met een licht kalende, nogal corpulente nicht zonder bijbedoelingen.

Ik vertelde hem wat ik zoal deed: schoonmaken, stapelen in het veem, afwassen, en ruzie maken met de baas, want bevelen bevielen me niet en ik blafte altijd terug. Hij was ontzet. Iemand met mijn talent! Had ik dan niet gehoord van de Algemene Bijstandswet? Welnu, hij was zelf beleidsambtenaar bij Sociale Zaken, dus als ik de volgende…uh…middag even bij hem kwam, zou hij de misstand meteen rechtzetten.

Zodoende.

Om poentje te kunnen bekomen, had ik mij laten inschrijven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau, waar men mij niet meteen vermocht te duiden. Kijk eens aan! Mulo! Waarom zat ik dan niet gewoon, net als iedereen, op kantoor? Ha zo! Internaatskind? Waarom zat ik dan niet gewoon in een vervolggesticht? Afijn, komt u – boem! – over drie maanden maar weer eens terug.

Wel regelmatig solliciteren, hoor!

Wat ik deed, zij het al minder. Dat kwam, werk vínden was niet zo moeilijk. Wel werd het steeds lastiger om het vervolgens te kríjgen. Stuurde men je voorheen, aan de poort, meteen naar een chef of een werkmeester die vlug zag of je het verlangde kunstje zou leren, nu zat er ook bij kleine bedrijfjes een personeelchef. En daar ging het steevast mis.

“Goed dan, kandidaat, dat heb ik zo genoteerd. Ik zal uw gegevens opvragen bij het Arbeidsbureau, en u hoort u van ons.” Enige tijd later kwam dan een brief met het bericht dat “onze voorkeur” naar iemand anders was uitgegaan. Ook stond er wel eens: “uw antecedenten en uw arbeidsverleden hebben ons helaas genoodzaakt uw sollicitatie terzijde te leggen.”

Het kwam me bekend voor. Bij het ‘poten’ om voetbalploegjes op straat was ik ook altijd afgevallen, vanwege het antecedent dat ik geen bal kon zien. Soms kreeg de partij die tegen de wind in speelde mij erbij, want ik bracht een echt lederen bal in het veld waarmee ik wel eens scoorde ook, aangeschoten, in den blinde, met rug of bil.

Toch vertrouwde ik de zaak niet. Wat den drommel hadden ze daar allemaal over mij opgeschreven, op dat Arbeidsbureau? Dat zou ik eens haarfijn gaan uitvissen, de volgende keer.

Maandagochtend elf uur. Er zat een nieuwe jongen, met zo’n open, eerlijke lach die mijn nekharen overeind zette. "Hallo, even je kaart erbij pakken. Zeker geen succes gehad met de sollicitaties?" Ik schudde mijn halflange manen. “Nee,” lachte hij open en eerlijk, “dat verbaast me ook niet. Het is niet makkelijk om iets vinden, voor een anarchist zoals jij, bedoel ik.”

Mijn aanschijn bewolkte. “Niet makkelijk”, herhaalde hij. “Wil je me even excuseren, ik moet nu echt naar de WC.” Het grijze kaartenbakje verdween niet in zijn bureaula, maar bleef staan waar het stond, met mijn kaart er aan één beduimeld puntje uitstekend. Hoewel de gewestelijke arbeidsambtenaren dicht opeen woonden, in glazen huisjes, waagde ik het erop. Afgedekt door de brede rug van een lotgenoot in het belendende bureel, griste ik mijn kaart uit het bakje en las: “Man met anti-sociale tendenzen. Anargist”. Met rood onderstreept.

Van mij had het zwart mogen zijn.