WASWONDER (1)
Hoewel mijn moeder jammerend rondging, als een Jemenitische klaagvrouw in een sterfhuis, strooide mijn vader zich geen as op het hoofd toen zijn baas hem wegens een onbenullige verschrijving in het grootboek op staande voet de zak had gegeven.
Wanneer zij van Jemen ons weer eens builenpest en bedelstaf aanzegde, knikte hij bewolkt mee, maar buiten haar bereik, met mij in het schuurtje alleen, was hij samenzweerderig vrolijk, een schooljongen met ijsvrij.
Toch zocht hij naarstig naar nieuw emplooi. Dat moest ook wel. Reserves hadden we niet en voor bijstand was je Anno Domini 1950 aangewezen op je familie of liefdadigheid binnen je eigen zuil. In ons roomse geval zou dat een gang naar St. Vincentius hebben betekend, waar je lang moest soebatten alvorens de bedélende heilige afkwam met een halfje regeringswit of een net gedragen pastoorsonderbroek.
Teneinde zulke vernederingen te voorkomen, fietste mijn vader elke ochtend naar de leeszaal om de dagbladen door te vlooien. Na een sober noenmaal schreef hij vervolgens aan de huiskamertafel zijn sollicitatiebrieven, in die als een metronoom zo regelmatige, volstrekt onpersoonlijke hand die, meende hij zelf, op zich al tot aanbeveling strekte.
Niet dat hij alleen maar naar klerkenbaantjes solliciteerde. Hij was bereid alles aan te pakken en voelde zich, vertrouwde hij ons toe, sterk aangetrokken tot het vrije leven van de ambulante handelsman. Kon hij niet goed met mensen overweg? Hingen ze niet aan zijn lippen als hij een mop vertelde? Nou dan?! Hij was vast een uitstekend verkoper!
Iemand met zijn flux de paroles zou in Amerika al hoog en breed miljonair zijn. "Lieve god," kreunde mijn moeder alsof hevige krampen haar kwelden. "Daar hebben we Jantje Amerika weer. Hou toch op, man! Door jou komt er niets van ons terecht. Smoesjes verkopen, dát kan je..."
Ik wist het na zeven jaar als geen ander. Zeven jaren vol verhalen, kleine verhalen over zijn blikskaterse jongensjaren in Delft, over het zware smidswerk in het atelier van opa; Grote Verhalen over God, over de Kerk, over het leven, over de dood en het paradijs dat ons deelachtig zou worden. Hij monopoliseerde mij. Ik was klankbord en echoput, schildknaap en bondgenoot in zijn nooit eindigende strijd met mijn moeder, de vrouw die met woorden niet tegen hem op kon, maar die tijdens hun vechtpartijen hard terugsloeg en hem overigens partij bood met schamperende, laatdunkende lachjes. Dat ze onverzettelijk was, wist ik intussen. Dat ze onoverwinnelijk was zou ik pas veel later ervaren.
Toen hij ons een paar dagen later, blij als een kind, vertelde dat hij als reiziger kon beginnen bij een in Tilburg gevestigd handelshuis, trok zij een gezicht alsof hij haar een dode mus aan de voeten legde. Dat kwam: hij zou slechts een bescheiden basissalaris verdienen, meer een soort koffiegeld, en het voor de rest van provisie moeten hebben. In dat opzicht was de Amerikaanse Droom alvast werkelijkheid geworden.
Het artikel waarmee de Tilburgers hem aan onze kant van de grote rivieren op de huisvrouw wilden loslaten, was een wasstamper. Niet echt een innovatief concept. Reeds de holenvrouw wist dat zij haar vuile vellen schoon kreeg door ze in een bruisend beekje te leggen en er met een stevige tak op los te slaan. Stampen met een goed in de hand liggend sparretje ging nog vele malen beter. Maar het eiste veel kracht: als de was gedaan was, kon Cro Maman eveneens worden uitgewrongen.
Met Amerika, een aan Norman Rockwell ontleend Amerika van soda fountains en blanke arbeiders met een eigen huis en een grote Chevrolet, had de stamper dan ook niets te maken. Het apparaat, vertelde mijn vader alsof hij erbij had gestaan, werd in Essen gemaakt, door een grote metaalfabriek. “Aha,” riep mijn moeder die, ik moet het erkennen, af en toe ook geestig uit de jemenitische hoek kon komen, “Uit Es-essen natuurlijk, waar anders vandaan?” Mijn vader deed of hij haar niet hoorde en zette zijn college voort. Hij schetste ons het beeld van een land waarin vijf jaar geleden alles was platgebombardeerd. Huis, haard en washok. Volkomen verdiend, natuurlijk, maar de klok tikt door.
Aangezien het nog wel even zou duren voor de Hausfrau zich weer een Miele kon veroorloven, hadden de generaal Marshall en Konrad Adenauer –die ik voor een Indiaan hield- samen besloten een eigentijdse wasstamper te laten fabriceren onder de merknaam ProTZ. “Hoor eens, meneer Pruts” riep mijn moeder boos, “als het jou niet uitmaakt, wacht ik liever op een échte wasmachine.” Mijn vader grijnsde als een kater die een astrante merel kwetterend binnen de sprongcirkel ziet neerstrijken. “Je geduld, beste meid, is een felicitatie waard,” teemde hij. “Dat wordt sparen tot je tachtig bent. Een wasmachine koop je niet voor zevenentwintigvijftig, met twaalf maanden schriftelijke garantie. Deze wasstamper wél.”
De ochtend erop leverde een hijgende postbode het demonstratie-exemplaar van de ProTZ af. Een polsdikke steel met geïntegreerde handvatten, alles van hoogglanzend metaal, eindigde in een grote doos waaruit houtwol opkringelde. “Kijk”, wees mijn vader, ”daar zit de wasklok in. Zeg eens, eh Post… zou u zo vriendelijk willen zijn hem even naar de keuken te brengen? Wist u dat mijn zwager, de broer van mijn vrouw bedoel ik, dat die ook Post is? Wat nu? Nee? Híj doet dat anders wél, hoor. Ongevraagd bovendien.”
Terwijl de reiziger in spe op een keukenstoel bijkwam, zette mijn moeder, onwelwillend kletterend, grote pannen water op het gas. Ik verdween naar de schuur om de zinken teil te halen en een steelse blik te werpen in het door mij verduisterde oorlogsnummer van LIFE, voor anderen onvindbaar tussen de stapels oude kranten, waarin, ter opbeuring van G.I.Joe, een tiental halfnaakte vrouwen als klassieke godin was gefotografeerd. Zedig in de verte starend, tussen middel en bovenbeen afgedekt met gordijnen en zuiltjes, maar wel zonder bustehouders. Dus met de knoppen zichtbaar!
Het curieuze was dat ik mijn opwinding niet kon plaatsen, met geen reëel existerende lustobjecten in verband bracht. Van erecties kan ik me niets herinneren– ik was pas zeven – dus ik hou het er maar op dat ik me qua geilheid nog in de voorhof der geloofsleerlingen bevond. Ook nadat het rukken rond mijn tiende een aanvang had genomen, was dat meer een handeling waarmee ik me van een hinderlijke zwelling verloste – god, in de bus, stijf gehotst van het optrekken en afremmen en moeten opstaan! - dan van lust in de zinnelijke zin des woords. Veel beter is het nooit geworden.
Toen ik de teil met een rood hoofd de keuken in zeulde, was het waswater eveneens aan de kook. “Waar blijf je toch altijd zo lang, in die schuur?” bitste mijn moeder. “Vooruit, zet hem maar in het midden, op die dweil, dan kan je vader zijn kunstje vertonen.” De ProTZ was intussen uit de doos gehaald en stond gebruiksklaar te glimmen. Een pracht, vond ik het meteen. De roodkoperen klok was zuiver conisch. Eigenlijk, wees mijn vader, ging het om twee in elkaar vallende kegels, waarvan de kleinste door een veer werd ingedrukt, zodat het sop bij iedere slag met kracht door het goed werd gedreven.
Telkens als hij uit de bellen opdook, lensde het waswater via een groot aantal half verzonken gaten in de buitenmantel weg. Ze deden me denken aan de lanceerbuizen van een onderzeeër. Voor de ProTZ was de gezinswas geen ijdel geplas maar een ware Kulturkampf tegen het vuil. Maar om die strijd een minuut of tien te kunnen volhouden – zonder even adem te scheppen, anders sloeg het zwevende vuil meteen weer op het goed neer – moesten Brünhilde en Edeltraut wel wat in de mouwen hebben.
Na een paar minuten te hebben gestampt, aanvankelijk losjes en achteloos lachend, maar allengs verkrampend, reikte mijn vader de ProTZ aan zijn sceptisch toekijkende wederhelft over. “Zo, moeder, nu ben jij aan de beurt.” Al na slag of wat liet de Jemenitische, toch geen broos poppetje, de stamper met een gesmoorde kreet los. Ofschoon aan haar motivatie mocht worden getwijfeld, was duidelijk dat de nieuwe verkoopleider voor Noord-Nederland de afzet van het product misschien te licht had opgevat.
“Hoeveel zei je dat-ie moet kosten?,” meesmuilde zijn wederhelft. “Zevenentwintigvijftig? In geen zevenhonderdvijfentwintig jaar, hoor je? Al kreeg ik hem cadeau!” Na een paar dagen ijsberen en zuchten stuurde mijn vader de herniastamper naar Tilburg terug. Toen hij op zijn ziel en zaligheid had beloofd in het vervolg alleen naar eerlijk schrijfwerk om te zullen zien, tapte mijn moeder ook vocaal uit een ander vaatje. Ze versierde haar riedels met trillers en borsttonen: een merel die de kat op eigen terrein heeft afgebluft.
Maar ditmaal zong ze toch te vroeg. Een paar dagen later troonde mijn vader me weer mee naar de schuur. “Wat gaan jullie doen, jongens?” riep mijn moeder die, al stof verplaatsend, het verkeer in en om huis scherp in de smiezen hield. “Niks”, antwoordde mijn vader, “even naar Ruud zijn vliegende Hollander kijken.” Haar stofdoek knalde als een zweep. “Heb je niks beters te doen?” riep ze. “Volgens mij is hij veel te oud voor dat ding. Zijn je sollicitaties al gepost?”
Tussendoor pakte hij allerlei tijdelijke baantjes aan. Hij viel in voor zieke incassolopers, deed iets administratiefs voor de parochie – vermoedelijk in ruil voor bijstand – en verkocht een gerecombineerde fiets, opgebouwd uit de nog bruikbare onderdelen van drie gekannibaliseerde afdankertjes. Het balhoofd van nieuwe kogeltjes voorzien, de velgen spaken, een trapas monteren, trommelremmen afstellen – mijn vader kon het allemaal zèlf en als hij een stuk gereedschap miste, ging hij het doodgemoedereerd lenen bij de fietsenmaker die hij het brood uit de mond stootte, een stotteraar die angstaanjagend aanliep en hem het gevraagde tenslotte, rood als een biet en bijna stikkend, in de hand sloeg. “Mijn dank is weer groot, Barends,” lachte mijn vader dan. “Je weet: graag tot wederdienst bereid.” Hoewel ik af en toe aan hem twijfelde – steeds vaker koos hij partij voor mijn moeder, dus tegen mij – was mijn liefde op zulke momenten weer onvoorwaardelijk, mijn bewondering grenzeloos.
“Kijk”, zei mijn vader in onze wijkplaats. “Moet je zien, wat ik heb bedacht…” Hij haalde een paar blocnotevelletjes met tekeningen en notities tevoorschijn en legde ze op zijn werkbank. “Gehandhaafd blijft de dubbele klok, maar nu van lichtmetaal, voor het grootste deel aluminium. De stalen veer is wat slapper en heeft een langere slag zodat de huisvrouw geen spierballen hoeft te hebben. Kijk, via deze gaten in de lip van de buitenste klok wordt zuurstofrijk sop door het goed geperst, net als bij de ProTZ, alleen stukken efficiënter. “En de steel?” vroeg ik, “hoe zit het daarmee?” – “Kijk,” zei mijn vader en wees naar een bezem in de hoek. “Daar heb je je steel. Gewoon een losse houten steel. Goedkoop en licht, wat wil je nog meer? Mijn Waswonder wordt zó licht dat je hem tussen duim en wijsvinger kunt houden zonder moe te worden. Ik heb zitten cijferen en ik denk dat we hem voor negentienvijftig kunnen aanbieden. Hoor je wat ik daar zeg, jongen? Negentienvijftig. Dat is het jaar en dat wordt de prijs. Als dát geen goed teken is… We worden rijk, schathemelrijk. Let op mijn woorden.”
*
Aldus werd het Waswonder geboren, in een eenvoudige schuur te Haarlem-Noord. Omdat ik na de vakantie weer naar school moest, kon ik de verdere ontwikkelingen niet helemaal op de voet volgen. Zo miste ik de knallende ruzie die mijn moeder toe bracht weer eens uit te wijken naar haar broer, iets waarin ik me geheel kon vinden, al was ik er intussen aan gewend dat ze, wat mijn vader me ook beloofde, altijd weer terugkwam.
Mede dankzij haar afwezigheid voltrokken de gebeurtenissen zich in razend tempo. Mijn vader vond een geldschieter in de kredietbank van S. Heilock & Zonen en richtte nog dezelfde dag Ronteltaps Technisch Agenturen Bureau op. ROTAB. Een naam die klonk als een dubbele klok. Het papiertje van de Slaapkamer van Koophandel hing hij boven het eiken cilinderbureau, een mooi tweedehandsje met talloze laatjes, waaraan hij zijn zaken zou administreren; vooral op zondag, met herderlijke dispensatie, want door de week ging hij met zijn Wonderen de boer op.
Het aplomb waarmee de grote wasstrateeg zijn plan de campagne presenteerde, was overrompelend. “Wij van ROTAB,” vertelde hij iedereen die het maar horen wilde, “laten de grote steden voorlopig links liggen. De huisvrouw is er veel te verwend met wasserijen en je kunt er ook al wasmachines huren. Nee, wij gaan de markt veroveren via het platteland, door middel van demonstraties en directe verkoop.”
“Dus dan nemen we een auto,” schreeuwde ik hees van opwinding. Niet zo’n Engels bolhoedje, zoals de Ford Prefect die mijn vader af en toe huurde voor interlokaal familiebezoek, maar een auto. Een gróte auto, misschien wel een Amerikaan, zoals die van de dokter. Aangezien de Jemenitische van alles en nog wat mankeerde, kon ik hem dikwijls bewonderen en stiekem aaien. Een zwarte Buick Eight was het, compleet met chromen dollargrijns en van die patrijspoortjes in z’n lange motorkap. Als mijn vader toevallig thuis was, kwam hij bij de geparkeerde slee met me mee lummelen, waarbij hij altijd dezelfde grap maakte. “Ken je het verhaal van die dikke dokter? Nee? Die zat met z’n kont in z’n buik. Hahahoho.”
Hoewel ik bij vlagen nog beter droomde dan mijn vader, was ik niet echt verbaasd dat het geen Buick en ook geen andere Amerikaan was waarin hij de eerstvolgende zaterdagmiddag luid toeterend kwam voorrijden. Groot was de wagen beslist - niet zo groot als een Buick, maar zeker niet iel. In elk geval twee slagen groter dan het Taunusje van de gebittenmaker die pal tegenover ons woonde, in de betere woningen met voortuin, wiens zoon, twee jaar ouder en hinderlijk sportief, mij regelmatig in elkaar sloeg en mij ook deswege ten voorbeeld werd gesteld.
Wat was het? Een Opel Six Coach, vertelde mijn trotse vader. Hij sprak het uit als Koch. Een middelgrote toerwagen met een linnen kap die gedeeltelijk open kon, en vier portieren die tegen elkaar in draaiden. Mooi vond ik hem eigenlijk niet, eerder wat vreemd, met die plompe, uitgebouwde kofferbak – “daar kunnen een bérg waswonders in” - en het enkele achterlicht, rechts boven de bumper op een soort van steel. Maar de peervormige koplampen, vrij op de spatborden gemonteerd, waren prachtig en de auto, ónze auto, bekeek het leven met een ernstige, zelfs wat zwaarmoedige blik. “Over een jaartje,” zei mijn vader, “als we rijk zijn, nemen we een Buick.”
(wordt vervolgd)
