Vorsten
1991 Koninginnedag. De tot dusver onbekende royalty verslaggever Henri Rudolph is al om acht uur uit de veren, net als Hare Majesteit en de rest van het Oranjespul. Hij krabt zich eens onder de ballen en achter het oor, zet een pot koffie, legt een maagdelijke blocnote klaar en schuift een onbeschreven cassette in de videorecorder.
Hoe ik dat allemaal weet? Ik bén Henri Rudolph. Henri is mijn B-merk. Ik gebruik het als ik weer eens blaadje in mijn eentje moet volschrijven of wanneer opdrachten en opdrachtgevers elkaar “bijten” – van die dingen.
Vandaag tekent mijn alter ego voor een ooggetuigenverslag van het Oranjebezoek aan Buren en Culemborg. Wij mogen alvast hopen dat de Majesteit een wolletje aantrekt, want het is stervenskoud. Zelf behoeven wij er niet uit, want op de buis zie je het allemaal veel beter dan wanneer je in het gewoel de journalist loopt uit te hangen.
“Goedemiddag, mag ik u eens vragen, beste vrind, loopt u al lang zak?”
Zoiets overleef je alleen als je bij de NOS werkt en zo lang de draaiende camera op je gericht is. Maar zodra Hilversums oog een andere kant op kijkt, wordt het link. (Ben je toevallig verzot op klappen, hang dan zo’n gele rellenkaart met PERS om je nek – succes verzekerd).
Ik ben voor dit klusje ingehuurd door Mirjam S., uitgever en hoofdredacteur van Vorsten, een maandblad met nieuws en faits divers over alle vorstenhuizen van Europa, al dan niet meer aan de regering. Met artikelen over stambomen, zijtakken en jonge loten. Over zwarte schapen, schuinsmarcheerders en pretendenten.
Vorsten doet verslag over hun wel en wee: geboorten, huwelijken, leven en dood. Maar alles in het nette, want het blad wil niet met de rioolpers en de paparazzi over één kam worden geschoren. Die kans is maar klein. Het blad is simpel, om niet te zeggen ouderwets, nogal conservatief van opmaak, en een nummer telt slechts 44 pagina’s, in de lengte een fractie kleiner dan A-4.
Vorsten heeft een kern van hondstrouwe abonnees, merendeels vrouwen die heilig blijven geloven in God, Nederland en Oranje. De Bible Belt - de Veluwe, Zeeland, Overijssel - daar kijken christelijke huismoeders elke maand reikhalzend naar Vorsten uit.
En dat moet zo blijven, drukt mevrouw S. mij op het hart als wij kennismaken. Henri mag vlot schrijven, maar wordt het populair of plat, dan vliegt hij er meteen weer uit. Zij is een rijzige, getailleerde mevrouw, een jaar of wat verder rond de vijftig dan Henri, en zij brengt haar dirigistische, albedillende opperwezen overtuigend en consequent over het voetlicht. Zelfs haar levenspartner, die het blad vormgeeft, spreekt haar en public, en god weet privé, aan als “mevrouw S.”.
Toch meen ik in de uithoeken van haar ogen af en toe een vonk van spot en van zelfspot te zien.
Dit maakt het werk wat draaglijker, want mijn ruwe materiaal is veelal lachwekkend slecht en om te huilen. Het wordt geleverd door in royalty gespecialiseerde ‘persbureaus’, waar men, met één vinger tikkend, op een Underwood van voor 1789, serviele en warrige berichten schrijft en daarvoor nog geld verlangt, bovendien. Maar hé, niet getreurd. De oude Henri weet er altijd wel weer een pointe aan te lullen. Gelukkig heeft Mir…, mevrouw S. dus, niet op specialistische naslagwerken beknibbeld.
Henri – de boef heeft niet voor niets onder zijn schuilnaam R. in de sponsored media gezeten – doorziet meteen dat Vorsten een reuzeleuk goudmijntje is. Geen Klondike, maar een klaterend beekje vol stofgoud met af en toe een forse nugget. Een rijk geïllustreerd redactioneel artikel over de “linnenkast van Oranje” en dan drie pagina’s verderop “onze aanbieding van de maand”, een “royaal en vorstelijk tweepersoons laken met, uiterst subtiel ingeweven, het persoonlijk monogram van Beatrix Regina” – zeg daar maar eens nee tegen als Staphorster boerin die ook wel eens wat anders op bed wil!
Februari 1992 is een week op streek als Rudolph, die de voorgaande maanden weinig voor Vorsten heeft gedaan, door mevrouw S. ten burele wordt ontboden. Hoe ziet zijn agenda eruit, de komende tijd? Zou hij er voor voelen om een vraaggesprek in Berlijn te doen, in samenhang met een bijzondere lezersaanbieding. Het gaat om de vertaling van een boek over Willem van Oranje als edelman met vorstelijke pretenties, geschreven door prof. Dr. Klaus V., hoogleraar aan de Humboldt-Universität die…
De Humboldt! Maar dat is ex DDR! Ik heb de Wende gemist omdat Bruin het niet kon trekken en ben sindsdien niet meer in Berlijn geweest. En dan nu nota bene een interview Unter den Linden! Veel te gretig hap ik toe, waardoor ik genoegen moet nemen met mijn normale honorarium en de onkosten: de benzine, één overnachting in een middenklasse hotel en een bescheiden bedrag voor mijn verteringen onderweg. Geld voor het tijdsbeslag kan er niet af. “Reizen is leuk en leerzaam,” doceert mevrouw S., “ik zou dus zeggen: kijk goed om u heen, u steekt er vast veel van op, maar het is logisch dat wíj het niet allemaal gaan betalen, zegt u zelf!”
Vorsten , bezweert zij Henri, de inhalige huurling, draagt zélf een groot risico door zich garant te stellen voor de halve oplage van de vertaling. “Alstublieft, hier heb ik voor u alvast het Duitse origineel. Kijkt u het thuis maar eens door, voor u naar Berlijn gaat. Wij hebben al foto’s van professor V., dus die hoeft u niet te maken, en voor het overige gaan we het interview, twee à drie spreads, dacht ik zo, met de platen uit het boek illustreren. Ik wens u veel succes en doet u de groeten aan meneer V...”
Prof. Dr. Klaus V. is gewoon hoogleraar Europese geschiedenis van de Nieuwere Tijd (tussen de late middeleeuwen en de Franse revolutie). Ik bel zijn doorkiesnummer en hij neemt meteen op. “Ja,” zegt hij in het Nederlands, “ik wees waarover dat het gaat” en wij maken een afspraak voor de laatste week van maart.
Even voor tienen op de afgesproken dag parkeer ik mijn Saab pal tegenover het hoofdgebouw van de Humboldt-Universität zu Berlin, numero 6, Unter den Linden. Wat jammer dat ze pas in de zomer bloeien. De vorige keer dat ik hier liep, in 1987 geloof ik, stond de muur er nog en moest ik moeite doen mijn Pflichtwechsel op te maken aan als Sachertorte vermomde veekoeken en Volkseigen edities van Lenin en Marx die in elk geval een onuitwisbare afdruk nalieten.
Zo maar, op eigen houtje, bij Humboldt binnenlopen? Het idee! Maar nu is er niemand die op mij let. De binnenplaats is één groot karwei. Om mij heen wordt getimmerd, gemetseld en gepleisterd. Midden in dit bepaald on-achttiende-eeuwse laweit zit, ietwat beduusd lijkt me, de taalgeleerde en onderwijshervormer wiens sociale ideeën aan die van het anarchisme grensden. En toch zo’n keurig heer, in die kniebroek!
Ik volg een pijl en dat blijkt de goede te zijn. Prof. V. is een kleine vriendelijke, op het oog wat schuwe man, een jaar of tien ouder dan ik. Hij begroet me in het Nederlands - hij heeft er post-doc gestudeerd - en gaat me voor naar zijn werkkamer, zo goed en zo kwaad als dat gaat, want binnen is het ook al een enorme rotzooi. Het laatbarokke hoofdgebouw van de universiteit is van 1753 en deed oorspronkelijk dienst als het stadspaleis van prins Hendrik van Pruisen. Wat ik ervan zie is de laatsocialistische ramp die zich aan deze fraaie zalen heeft voltrokken. Zij zijn met schotten, die het bladderende plafond op geen stukken na halen, onderverdeeld in een wirwarrium van hokjes en gangen waar men zijn hooggeleerde kont niet kan keren.
De gangetjes neemt men in een zijwaartse hups. Gewoon lopen kan niet door de stapels boeken, mappen en papers, veelal duimen onder het stof. V. deelt zijn kamertje met een collega, wat eigenlijk niet gaat, maar toch moet. Zij maken van dag tot dag afspraken wie het bureau heeft en wie de telefoon, enzovoort. Kennelijk is er nu wat mis in de coördinatie, want als wij binnen komen, zit de collega aan het bureau. Hij kijkt verstoord op. Na wat fluisteren blaast hij brommend de aftocht, mij en passant doodkijkend.
Zo, daar zitten we dan. Het recordertje loopt en we kunnen van bil. Ik met de gebruikelijke complimenten: wat een aardig boek (niets aan gelogen), wat is uw Nederlands goed (idem), misschien wel beter dan mijn Duits (dito). Vervolgens trapt V. af met een exposé over de Wende en de fase waarin ik hem nu aantref. Want wat is het geval: hij is er allerminst zeker van dat men hem zal handhaven. Een zuivering? Dat is misschien wat sterk uitgedrukt. Maar wel moeten (hoog)leraren uit de voormalige DDR naar hun eigen baan solliciteren wanneer zij die willen behouden. De sollicitatie dient vergezeld te gaan van een soort ‘eigen verklaring’ over de mate waarin men de denkbeelden van de ehemalige DDR heeft aangehangen en wellicht onder de pupillen of studenten heeft verkondigd en verbreid. Was men een activist? Een meeloper, wellicht? Of heeft men het perfide regime – “en het wás een perfide regime” – waar mogelijk tegengewerkt?
Dan breekt zijn stem en hij zegt: “En daar heb ik gefaald. Ik was geen aanhanger van het systeem, aber Ich war ein Feigling, ein Versager war Ich! Ich habe meine erzieherische Pflicht versäumt! Wissen Sie…“ En hij begint te huilen, niet luid en met uithalen, maar bijna onhoorbaar. Linea recta, als twee keurige kanaaltjes, stromen de tranen langs zijn wangen. Een pakje Kleenex lang.
Tja, dan lul je dus niet meer. Nadat de droogte weer was ingetreden, hebben wij nog een uurtje over Willem van Oranje zitten te praten en over de hele en halve propagandaleugens waarmee een voor zijn eigen rechten strijdend edelman met terugwerkende kracht en de welwillende medewerking van B. Gerards tot “vader des vaderlands” wordt vervalst.
“Ik weet het niet, meneer Ronteltap”, zei mevrouw S., “maar ik mis iets in dit interview, iets van emotie, van echt contact. Boterde het niet tussen u beiden?”
---
