More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Van Egmondstraat (3)

Op het Prinsen Bolwerk was de kerstversiering wegens ruimtegebrek beperkt gebleven tot een gipsen engeltje boven de deur van de huiskamer. Maar In de Van Egmondstraat kreeg de midwinterdevotie meer armslag. Een boom daar deden we nog niet aan. Mijn moeder vreesde de naalden en mijn vader vond het een heidens symbool. Bovendien waren we net vijf jaar door die Teutonen van hiernaast bezet geweest. Hulst met besjes, dat kon nog net, maar zo'n boom, nee. 

 

Wij waren katholiek en hadden dus een stal. En niet zo’n kleintje ook. Het woord ‘stal’ slaat hier op de beeldengroep en niet op het schamele geboortehuis van onze Heer & Zaligmaker, want dat werd ieder jaar opnieuw door mijn vader in elkaar getimmerd.

 

Reeds in de laatste weken van oktober begon hij bij de groenteboer te jengelen om lege kratten en kistjes. Bij voorkeur op zaterdag, met een winkel vol morrende klanten. “Nee, meneer,” zei de winkelier, “ik heb geen afvalhout. Voor elke krat betaal ik statiegeld en…” – “Staangeld”, sprak mijn vader, vriendelijk doch streng. “U bedoelt ‘staangeld’ – ‘statiegeld’ is een slechte vertaling uit het Frans. Maar nog even over dat hout: er zal toch wel eens een kistje stuk gaan, niet? Misschien dat u nu niks hebt staan, maar we hebben nog alle tijd. Ik kom volgende week nog wel eens horen…”

 

En jawel hoor, de zaterdag erop of uiterlijk de week daarna kwam mijn vader thuis met een paar amper beschadigde veilingkratten, nog blank van de nieuwigheid. “Aardige vent, die Lodewijks. Als je zelf maar vriendelijk bent, dan willen de mensen best eens wat voor jóu doen!” Nou zat ik bij het zoontje van de groenteboerin de klas, dus ik wist – en ervoer aan den lijve - dat de getergde winkelier mijn vader niet zonder debat bij de toffe peren zou hebben ingedeeld.

 

Dat zat zo. Zodra de zomer ten einde liep, placht Lodewijks in de winkel en buiten op straat, waar de kratten nog op  ijzeren stellingen stonden, veel werk te maken van een peer wiens sappigheid, geur en smaak die van een Conférence of een Doyenne du Commis ruimschoots overtroffen.

 

Dit ooft werd door Lodewijks, op het leitje aangeprezen als “Bolle Wies, 100% sap.”Dat liet mijn vader, de taalpurist, in het voorbijgaan niet zonder commentaar passeren. “Moet je nou toch eens zien, “gnuifde hij. “Honderd procent sap! Wat een nonsens proberen ze je toch te verkopen! Honderd procent sap? En de schil dan? Laat me toch niet lachen, ik heb een gescheurde lip! En het klokhuis?! Nou dan! Het is dat die man het goed meent, anders zou hij eens op zijn donder moeten hebben. En dan die naam… Deze peer komt uit Frankrijk en heet daar ‘Bon Louis’. De Goede Lodewijk betekent dat! Nota bene de stam van zijn eigen familienaam! En daar maakt-ie Bolle Wies van, wat een domoor!"

 

Enkele weken later heeft hij dit college – naar ik hopen mag minus de laatste kwalificatie - in een volle winkel afgestoken, ten overstaan van de verblufte handelaar en sissende figuranten. En vervolgens doodleuk bij dezelfde Lodewijks om een paar kerstkratjes lopen zaniken! Hij had, denk ik, echt het idee dat de mensen wat van hem konden opsteken en dat het plichtsverzuim zou zijn als hij zijn mond hield. Ach ja, ik heb het niet helemaal van een vreemde…

 

Maar met het Bolle Wieshout waren we er nog niet. Het provisorisch in elkaar gejaste bouwsel – “dat maakt het juist écht, zo’n stal mág niet te veel op een huis lijken!” - moest vervolgens rondom worden bekleed. Al was het maar om flarden tekst (tuinb… of …eiling) aan het oog te onttrekken. Ook daarvoor had mijn vader een patente oplossing, stro, en een vaste leverancier, de slijter om de hoek.

 

In die dagen, “toen Willem Drees landvoogd van de Nederlanden was…”, werden de flessen klare en brandewijn nog verpakt in een strooien huls die ze tijdens het transport min of meer tegen breuk beschermde. Die hulzen ging mijn vader dus in de adventsweken ophalen.

 

Opeisen is wellicht een beter woord. Hij dronk geen drup en bezocht de slijter slechts één keer per jaar. Maar hij behandelde de man als een oude schoolmakker. “Goedemiddag, daar ben ik weer,” riep hij dan. “Jaja, alweer een jaar voorbij. Hoe gaan de zaken? Goed? Dan hebt u nog wel wat strohulzen voor me, is het niet?” En al moest de man er speciaal voor de kelder in – ze kwamen voor de dag!

 

Met het stro tegen de muren en op het dak vastgekramd zag onze stal er overtuigend uit. Iets tussen boerderij en  bidonville in. De laatste term kenden we uiteraard nog niet. Maar goed ook, want mijn verwekker zou zeker de herderlijke staf hebben gebroken over de gangbare Nederlandse vertaling: “krottenwijk” en zelfs “sloppenwijk”.

 

In mijn jaren bij de persbureaus en teletekst – waar veel stomme en vaak hilarische vertaalfouten worden gemunt om 4ever te worden nageslagen - heb ik me altijd sterk gemaakt voor “krattenstad”.  Het heeft niet mogen baten. ’s Mensen streven is zinloos.

 

Een paar dagen voor het Hoogfeest van Kerstmis ontruimde mijn moeder, die onder valse vlag varende bekeerlinge, grommend het blad van haar dressoir plus een belendend tafeltje, en zette mijn vader de goddelijke poppenkast op. Eerst een dikke laag kranten en daarop een zak tuinaarde met wat groen en dennenappels. Daarna mocht ik hem de beelden aangeven.

 

“De os” – “Nee, dat is de ezel, sufferd” – “Nu die grote engel met de banier.” Vervolgens de twee jonge herders met die lieve lammetjes. Enzovoort. En mijn moeder intussen om ons heen patrouillerend met stoffer en blik, “want als je die aarde in het kleed trapt, krijg ik het er nooit van z’n leven meer uit.” Uit het stro maakte zich, ijl maar onmiskenbaar, de lucht van jenever los…