More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Van Egmondstraat (2)

Als ik in mijn leven ergens heb gewoond, dan wel in die Haarlemse Van Egmondstraat. In mijn hart woon ik er nog steeds. Eens per jaar, soms vaker, rijd ik er heen. Ik parkeer op ruime afstand, zodat ik kan komen aanlopen. Van de Rijksstraatweg af kun je er trouwens niet in, want mijn straat, herkenbaar aan de stompe toren van een protestants bedehuis, is aan de kindonvriendelijke zijde met een verkeerskundige bypass en een doorgetrokken trottoir voor snelverkeer gesloten. Dat geeft de Van Egmondstraat iets van een besloten biotoop. Zonder de verstikkende claustrofobie van het woonerf.

Aan de buitenkant is alles grotendeels bij het oude gebleven. Weliswaar bevindt zich in de voormalige zondagschool, schuin tegenover de kerk, een sauna, maar deze heeft de bonafide uitstraling van Scandinavisch naaldzweet zonder vertoon van hoerigheid. Bij nummer 28 Zwart (Haarlem nummert van oudsher dubbel met ‘zwart’ voor de parterre en ‘rood’ voor de bovenwoning) ben je zo’n beetje halverwege. Het huis, met erker, is niet aan de Nationale Kluswoede ontsnapt. Ramen van kunststof, een voordeur naar eigen wansmaak: de  Gammastraling is dermate intens dat ik er met lood in de schoenen langs loop.

Dit paleisje,” zou een verkopende makelaar mij ongetwijfeld influisteren, “dient beslist van binnen te worden gezien”. Maar hoe ik mijn tred ook vertraag, het lukt me niet. Achter het dubbele glas houdt driedubbele luxaflex de zaak potdicht.  In het voorbijgaan word ik, naast de deur, een flink bord gewaar met meerdere namen en de kop van een hond. Ik ben te kippig om het te kunnen lezen, maar er staat vast iets als “Jan-Willem, Claire, Jan-Willem II, Hermione & (woef, ik waak!) Boris.” Misschien zou ik gewoon moeten aanbellen. “Hoi, Claire? Uh kijk, ik heb hier dus vroeger gewoond en nou zou ik toch zó graag zien wat jullie van mijn huis hebben gemaakt. Schikt het even?”

Tja, als ik beroemd was, en ik bracht een camera crew mee, dan zou Boris uit mijn hand eten en Claire – “let niet op de rommel, hoor” – al haar deuren wagenwijd voor me openen. Jaren geleden zag ik een VPRO documentaire waarin de dichter en erotomaan Adriaan Morriën zijn geboortehuis te IJmuiden op deze wijze binnenviel. Met de actuele bewoners zwijgend in zijn kielzog, trok hij van kamer tot kamer, nu eens het behang hekelend, dan weer een doorbraakje of tussenwand verketterend. “Toen ik hier woonde, was het allemaal veel mooier.” Gore moed in reincultuur. Niemand die hem even alle hoeken van de kamer liet zien. Men kwam immers op de buis. En na afloop zonder morren het kleinste kamertje soppen,

Want onze vriend, de priapist,

Heeft andermaal de pot gemist 

  

Maar dit terzijde.

In mijn tijd – knorde de oude – was de Rijksstraatweg levensgevaarlijk. Er was nog geen autoweg richting Velsen, dus al het vrachtverkeer van en naar de Hoogovens, de smeltkroes van herrijzend Nederland, denderde dwars door Haarlem-Noord. Regelmatig werd dan ook op een van de linkste kruispunten – in Haarlemmer slang wordt ‘link’ overigens vaak positief gebruikt– de zwarte vlag gehesen. Ten teken dat er weer een kind was doodgereden.

Ik moest elke werkdag twee keer oversteken, want de fröbelschool van de nonnen bevond zich in de Indische buurt, dichtbij maar aan gene zijde. Toen we op het Bolwerk woonden, werd ik door mijn moeder gebracht en gehaald, maar daar was ik inmiddels te groot voor. Véél te groot. Ik stak letterlijk een kop boven mijn leeftijdgenoten uit. Vooral door mijn lange lijf, want ik was (en ben nog steeds) van het model dat de Duitsers zo treffend Sitzriese noemen. Op school is dat een reuze nadeel omdat je ook ín de bank boven de meute uitsteekt en ‘het’ dus altijd hebt gedaan. Op zichzelf al reden genoeg om het dan ook maar te doen.

Ik had destijds een spierwitte kuif, coupe bloempot, met de handtondeuse geknipt, en ik droeg een ziekenfondsbrilletje van de goedkoopste soort: gevlamd celluloid met van die ronde glazen. Niet omdat mijn ouders zo arm waren, maar omdat ik ze letterlijk bij bosjes versleet. Soms liet ik ze slingeren, soms werd er een van m’n kop geslagen, maar meestal zei het ‘krak’ als ik weer eens op mijn bek viel of tegen een lantaarnpaal aanliep. Dat komt: ik heb een lui oog, het rechter. Ik zie er niet al te veel mee, alleen wazige contouren.

Veelal kan de lijder aan stompziendheid (zo heet de aandoening in gewoon Hollands) ‘leren’ scherper te zien, door z’n goede oog achter het lapje te houden zodat het slechte er alleen voor staat. Overigens zit de ’luiheid’ eigenlijk niet in het oog maar in het corresponderende hersengebied. Dat heeft een extra opdonder nodig. En wel meteen, want na het vierde levensjaar lukt het niet meer. Helaas kwam ik destijds als loensende peuter terecht bij een hoogbejaarde oogklepper die zwoer bij het klassieke brilletje. Wie weet had hij nog een gros in de aanbieding.

Ik wil maar zeggen: voor mij was die Rijksstraatweg extra link. Snelle en behendige gastjes, zoals Loekie, die door mijn vader als makkertje was aangesteld, waren al met speels gemak naar de overkant geslalomd als ik nog onzeker in het rond stond te turen. Eerst rechts, eh nee links, nu nog even naar rechts en als ik dan eindelijk de sprong leek te wagen…tuuuuuuuut… piiiiiep… jezus, de bus! Een zonsverduisterende knoert van een Crossley oplegger. Helemaal niet gezien!

Die Loekie. Hij had alles mee. Hij was snel, hij was slim en iedereen was dol op hem. Behalve ik. Hij was het zoontje van de koster, een jaar ouder. We hadden absoluut niks gemeen. Ik zat het liefst binnen, met een boekje in mijn hoekje, hij wilde altijd maar rennen en draven en overal in klimmen. Ik haatte hem. Moesten we door het viaduct, onder het spoor door, dan stond hij al in het tegenlicht te stralen als ik nog halverwege het onderaardse voort ploeterde met mijn dikke kont en mijn luie oog. “Loekie, Loekie, wachten, Loekie. Wachten.” Anders wist ik de weg niet meer.

Op zekere dag komt mijn moeder me pontificaal van school halen, wat ze alleen bij calamiteiten doet. “Rudi,” teemt ze in het register van haar lievelingsrol, de brengster van Treurig Nieuws. “Lieve Rudi, kom even bij me staan, want ik moet je iets ergs vertellen…”

Stompziend of niet, zelfs ik heb zo m’n clairvoyante momenten. “Loekie”, denk ik. “Loekie is dood.” En dat is ie. Vlak voor z'n huis onder een vrachtwagen gekomen. Nét niet snel genoeg. “Net goed, “denk ik en ik schrik me wezenloos. Van de schrik, over mezelf, over de mens als het ware, ga ik hard en gierend huilen. De tranen van een loense krokodil.