Van Egmondstraat (1)
Medio 1948 verhuisden we van het lichtelijk sjieke Prinsen Bolwerk naar de eenvoudige Van Egmondstraat in Noord. Mijn moeder was hoog - en breed - zwanger, en met z’n vieren op twee kamers plus gedeelde keuken, dat vonden de Haarlemse woonruimteverdelers een asociale toestand worden.
Het duurde dan ook niet lang (meer) voor mijn ouders de sleutels kregen van wat, zeker qua ruimte, een lustslot moet hebben geleken. Nummer 28 Zwart bevond zich weliswaar aan de mindere zijde van de straat, zonder voortuinen, maar met kamers en suite, een uitbouw en een tuin, wat smal maar wel diep, met een schuur en een heus vijvertje, overtrof het hun stoutste dromen. To coin a phrase.
Iedereen was dan ook content. Mevrouw Peau, inmiddels bejaard, hoefde ‘dat vrouwtje’ niet meer in haar huis te dulden; mijn vader maakte zich in een ommezien geliefd bij de buurtwinkeliers en mijn moeder was terug op haar geboortegrond.
Althans bijna. Ze was geboren in Schoten, een plattelandsgemeente die in 1927 door Haarlem was ingelijfd. Een ietsje verder benoorden de Van Egmondstraat lag de lange Vergierdeweg waar zij, op verschillende huisnummers, was opgegroeid en waar haar vader, geheel alleen, nog steeds een groot huis bewoonde. Maar over deze opa werd niet gesproken en ik zou hem, jaren later, slechts één keer zien.
En ik? Was ik tevreden? Aanvankelijk niet. Ik miste mevrouw Peau, bij wie ik geen kwaad kon doen: het fraaie mahoniehout, de met verven geschilderde schilderijen, het tafelzilver en vooral de staande klok in de hal waarin ik me vaak met succes had verborgen als de grote boze wolvin, “Rudi, Rudi” flemend, naar me op zoek was. Niet dat ze iets speciaals van me moest, maar gewoon, omdat mijn moeder helemaal uit haar doen geraakte wanneer ik mijn eigen gangetje ging. Alles wat je op je eigen en uit je zelf deed was clandestien.
Qua ambiance en verstopmogelijkheden was het in de Van Egmondstraat allemaal wat minder. Mijn ouders hadden amper spaargeld, dus om een echt huis te meubileren hadden ze hun bullen op de lat gekocht, net als iedereen. De gewone man had destijds de keus uit twee interieurs: old finish en eiken.
Wij hadden het optisch wat lichtere eiken. Een tafel (niet uitschuifbaar), het centrale lichtpunt erboven, vier bijpassende stoelen eromheen, langs een wand het enorme dressoir en twee min of meer ongemakkelijke crapauds. (Geen bank en geen salontafel, dat kwam allemaal later pas). De meubelen waren ‘rijk’ versierd met machinaal snijwerk en loodzwaar. Amper te verslepen. De bekleding was groen met jachttaferelen.
Niet alleen dat ik het lelijk vónd - ik zei het ook. Boven de schoorsteenmantel hing de gebatikte doek (niet echt, dat spreekt) met erop en eronder een koperen salamander, een getikte barometer en een pendule met kwartierslagwerk. Later, toen de tijden jachtiger werden, kreeg deze versterking van een koekoeksklok.
Aan de muur ‘het straatje’ van Vermeer (vast niet het origineel), een handvol andere goudeneeuwers op postzegelformaat – waaronder een Nachtwachtje waarop zelfs het witte kippenmeisje, oermoeder aller provo’s, kansloos in het obscuur verzoop – en een hele zwik Toorops uit ‘s mans Roomse periode.
Want we waren katholiek en dat wilden we best weten. Dat wil zeggen: mijn vader was katholiek, ik was katholiek en de komende gezinsuitbreiding was ook katholiek. Maar mijn moeder jókte dat ze katholiek was. Dat had ik al vlug door. Misschien wel eerder dan mijn vader.
Gré de Heer, zoals haar meisjesnaam luidde, was wat men destijds een ‘bekeerlinge’ noemde. Ze had zich in de kerstnacht van 1941, vlak voor ze zich met haar Cosmas in de echt verbond, katholiek laten dopen. Ze had haar nieuwe geloof beleden en was vervolgens te communie gegaan. Daarvan getuigt een in huisvlijt vervaardigd document dat ik na haar dood, verfomfaaid en bevlekt, onderin in een la aantrof. Het staat vol stichtelijke rijmelarij, in rode inkt, met als laatste vers:
Aan u de bron van alle goed
blijf dan mijn hart u toegewijd
van nu af tot in eeuwigheid
Zeven jaar later was er van dit religieuze vuur slechts as over. Ze ging bijna nooit naar de kerk, dus ook niet op zondag. Er was altijd wat: van benauwdheden tot dwangnagels en van een griepje tot de vrouwenvloek. Ik trok al snel de conclusie dat mijn mama onze moeder de H. Kerk systematisch beduvelde. Als ik er mijn vader op aansprak, antwoordde hij korzelig dat zij ‘dispensatie’ had gekregen van de bisschop en als hem vroeg wat ‘dispensatie’ betekende, kon ik een draai om mijn oren krijgen.
Denk niet dat ik hier de staf over mijn moeder breek. Integendeel. Dat zij de Zwartrok stiekem boycotte, bood tegenwicht aan de bevlogenheid van mijn vader die – aangenomen dat híj het allemaal meende; ook hij was niet in de eerste leugen gebarsten - de godsdienstwaanzin dicht kon naderen.
Zo stoof hij in de nacht van 27 op 28 juni 1948 met veel kabaal mijn kamertje in de uitbouw binnen, knipte het licht aan en riep luider stemme: Puer natus est, filius datus est – een kind is ons geboren, een zoon is ons geschonken.” Hij was déshabillé, in een interlockje en een lange onderbroek waarin zich het klok- en hamerspel markant aftekende.
Hoewel mijn moeder thuis zou bevallen, bijgestaan door de vroedvrouw, een mooi manwijf op een BSA dat ook mij had gehaald, was hij tussen de bedrijven door een tukje gaan doen. Zo kwam het dat Fransje hem – floeps – even te snel was afgeweest.
Ook ik was totaal verrast. Onaangenaam. Ik had vurig om een zusje gebeden en niet alleen onder ideale omstandigheden. Herhaaldelijk was ik ’s avonds op de ruwe cocosmat voor mijn bed neergeknield, omdat mijn toch wel licht getikte pappie me had voorgehouden dat mijn smeekbede dan meer kans maakte te worden verhoord. En nu dit! Een broertje. Daar had ik helemaal geen zin in, zeg!
(wordt vervolgd)
