Teletekst? Nooit van gehoord. Ik niet en niemand die ik kende. Ik begreep dat het een nieuwsdienst op de televisie moest worden. Geen ‘bewegende beelden’ maar tekst. Zonder foto’s of plaatjes. In Engeland hadden ze het al. In Amerika namen ze er hier en daar proeven mee. Bij kranten en op de kabel. Voor het eerst hoorde ik de term ‘nieuwe media’ vallen. Ze waren de toekomst, begreep ik.
Daar had ik wel oren naar, want het heden hield niet over. Na mijn treurige afgang bij het dagblad De Gooi- en Eemlander – zuipen, zuipen en het kuipen van een uitgelezen ploeg matennaaiers – had ik bij de NOS vertaaldienst met vrucht een examen ondertitelaar gedaan. Fijn werk, geknipt voor een ongeregeld type zoals ik. En het schoof boven verwachting goed. Een piek per titel, dus dat tikte leuk aan, zelfs bij de lastige klussen. Maar in de marge van dit paradijs –de enige plek waar vertalers in dit land ooit een redelijk belegde boterham hebben verdiend– werkte een kongsi van automatiseerders en bean counters reeds eendrachtig aan de omschakeling op wat ze ‘marktconforme prijzen’ noemden.
Ik begreep dat het heden er nog maar weinig toekomst had. Bij gevolg waarvan ik me op een zonovergoten maar ijskoude januaridag in 1980 te voet naar het hoofdgebouw van de NOS begaf om te solliciteren bij de heren W. Stokla en J. Marmelstein, respectievelijk ‘hoofd’ en ‘adjunct-hoofd’ van dat geheimzinnige Teletekst. Het was een korte wandeling - ik woonde destijds op de Heuvellaan pal tegenover de Varavrienden– maar ik moest stevig doorstappen. Dat kwam: ik had pas op het laatste moment ontdekt dat ook mijn ruimste bommeljasje niet meer dicht wilde, zodat de onder het matras geperste broek eveneens uit moest, aangezien die trui…. kortom het was rennen geblazen.
De portier van het zogeheten Mediacentrum wees me de weg naar de juiste blokkendoos. Hij keek me wat schuins aan, maar dat was ik gewend. Pas toen ik, zijn aanwijzingen volgend, de doos in kwestie had gevonden en in zo’n halfopen zitje wachtte tot de heer Marmelstein me kon ontvangen, voelde ik nattigheid. De bloedneus aller bloedneuzen! Het ontdooiende front van mijn gelukkig van huis uit roodbruine trui verspreidde de lucht van een abattoir.
Fijn, dat beloofde wat! Ik moest denken aan die lang geleden keer dat ik in Londen bij British Telecom was binnengestapt om te informeren naar een telefonistenbaantje op de Continental Exchange. In hun wolkenkrabber aan de Teems was ik door zo’n supersnelle lift naar de 28ste of de 36ste gelanceerd. Toen ik tollend naar buiten trad, had ik mijn katterige fish & chipsmaag in één magistrale boog leeg gekotst, precies voor de desk van het wat bevreemd kijkende receptiemeisje. Excuses mompelend was ik achterwaarts de lift ingestapt en had ik me naar zeeniveau laten terugvallen.
Zo curieus verliep de sollicitatie dit keer niet. Wel kwam meteen vast te staan dat de heer Marmelstein, een witgekuifde maar ozovieve eindveertiger die van voren Joop bleek te heten, het rooddoorweekte rolletje pleepapier in mijn neusgat niet vermocht te duiden. “Wat is dat?” vroeg hij en wees. “Een rolletje,” antwoordde ik, “voor in mijn neus.” Hij schraapte zijn keel en ging over tot het sollicitatiegesprek. Het ging vooral over hemzelf. Bij het Journaal, vertrouwde hij me toe, had hij groots en meeslepend werk verricht, maar nu was hij, een geboren pionier moest ik weten, rijp voor een nieuwe uitdaging. Hij wreef zich in de handen. Was ook ik rijp, was nu de vraag. Velen waren opgeroepen, doch weinigen zouden worden uitverkoren.
Wat had ik al zo gedaan? Mmm. Vertalen, nou ja. Je had er als journalist wel iets aan, maar toch niet veel. Een neus voor nieuws, daar ging het om. Ik tikte tegen het rolletje, en passant constaterend dat het bloeden was gestelpt, maar het ontging hem. Welwel, kijkkijk. The Associated Press. Dat was tenminste iets. Beslist minder goed dan UPI, waar hij zelf een fan-tas-tische tijd had gehad, maar zeker bruikbaar.
Daarna het ANP. Redacteur buitenland. Ja, kijk – Marmelstein wierp mijn CV-tje op het bureau, verre van zich, en leunde jongensachtig achterover - ja kijk, redacteuren buitenland waren nu precies níet het soort dat hij zocht. Beetje kalend, vaak, en altijd het neusje in de boeken. Ik rookte niet toevallig óók een pijp met Clan tabak?
Het soort dat hij bij de nieuwsdienst van Teletekst wilde, dat was niet het soort van de specialisten en de omgevallen boekenkasten. Meer dat van de alom inzetbare generalisten, van de echte nieuwsjagers, mensen die zich overal thuis voelden, die des ochtends onverveerd op de premier afstapten en zich des avonds niet te goed voelden voor een uitslaande brand. Op dat moment schoof geruisloos een beige gestalte aan. Het bleek hoofdredacteur Stokla, van voren Wim, maar zo mocht ik hem nog niet noemen. Zei hij met nadruk. Ook de heer Stokla had meer over zichzelf te vertellen dan hij mij te vragen had. Hij was een omroeppionier, een man van het eerste uur. Immer voorop gelopen, altijd vooraan gestaan. Als radioman had hij op Curaçao een station opgezet waaraan ze bij de huidige Wereldomroep niet konden tippen. Later had hij -´samen met Carel Enkelaar´ zei hij, maar het klonk andersom - het NTS journaal tot een succes gemaakt.
“Ja,”riep ik enthousiast, “dat moet een leuke tijd geweest zijn, hoor ik. Geen geld en weinig bewegende beelden. Enkelaar, heb ik me laten vertellen, zat soms zó omhoog dat hij dezelfde marineschepen in verschillende journaals voorbij liet varen, nu eens van links naar rechts, dan weer van rechts naar links, nu eens als kruisers en dan weer als des…”
“Zo,” schraapte de heer Stokla, “zéggen ze dat bij de vertaalafdeling? En wie zegt dat dan wel?´ Hij keek me strak aan. “Vooruit, bij zulke verhalen wil ook graag de naam van de verteller horen.”
“De vertaalafdeling…,” echode ik met een hol gevoel in mijn maag. (Briljante zet, gozer! Midden in een sollicitatiegesprek andermans anekdotes gaan vertellen omdat je jezelf zo graag hoort lullen…) Mijn eerlijke blauwe kijkers boorden zich frontaal in Stokla´s fletse brilleblik. “Wie zegt dat ik het op de vertaalafdeling heb gehoord? Ik ken het verhaal al uit mijn ANP-tijd. Is het niet wáár dan?”
“Meneer Stokla,” schoot Marmelstein zijn chef te hulp, “wil alleen maar zeggen dat er over de omroep, speciaal over de NOS, een boel onzin wordt beweerd. Kinnesinne en broodnijd. Trouwens, als ik het goed zie, heb je een bloedneus.” Stokla frutselde een pakje papieren zakdoekjes tevoorschijn, stak me er eentje toe en verliet zwijgend het vertrek.
Met verse proppen in beide neusgaten heb ik vervolgens, zwaar ademend en met het gevoel mijn kansen te hebben verspeeld, twee domme berichten geredigeerd. Als vanouds, op de bolletjes- IBM. Van het geheimzinnige Teletekst kreeg ik die dag alleen het testbeeld op een monitor te zien. Drie weken later ontving ik mededeling dat ik desgewenst per 1 april 1980 “voor de duur van het proefproject” in dienst kon treden. Een betere datum had ik niet kunnen verzinnen.
(wordt ooit vervolgd)
