Slotervaart (1)
Toen ik in 1961, op mijn achttiende verjaardag, in Amsterdam aankwam, had ik wel een baan, maar geen geld. Het Huis had me vriendelijk doch beslist, en zonder een cent, op straat gezet. De kinderrechter en de vereniging van kinderbescherming wezen op elkaar en mijn ouders mij de deur. Telefonisch. Begin december zou ik beginnen als algemeen bureauassistent – zijnde de gehele administratie - op het hoofdstedelijke verkoopkantoor van Flexa, de doehetzelfpoot van het Sikkens lak- en verfconcern. Ik zou er iets van 234 gulden per maand gaan verdienen. Wellicht zou ik rond de 15de om een voorschotje durven vragen, maar als het tegenzat zou ik alles bijeen twee volle maanden van de wind moeten leven.
Dus dat werd lenen.
Ik had een soortement van verhouding met Nicoline (Sara Laurentia) een stevig gebouwd meisje dat ik op het Zwolse kladderklasje van Stien Eelsingh had leren kennen en dat een maand voor mijn blijde inkomste te Amsterdam een begin had gemaakt met haar studiën Psychologie. Want je bent jong en je wilt weten hoe of wat zit. Nicoline was nogal op de penning en spreidde het risico door me in vliegende vaart aan oude klasgenoten en nieuwe studievrienden voor te stellen. Een logeeradres was nóg belangrijker dan geld. Bij Nicoline kon ik hoogstens een paar nachten slapen, op een veldbed, waarbij ik me tegenover de hospita als ‘neef Jean’ uit Parijs diende voor te doen. Toen we mevrouw op de trap tegenkwamen, bracht ik hem met veel olala’s en gebaren over het voetlicht. “Doorlopen”, siste Nicoline.
Nadat we het begrip ‘weekend’ tot het uiterste hadden opgerekt, vond zij eindelijk iemand bereid mij op z’n minst een paar weken te laten logeren. De klos was Nanne van de P., telg uit een oud Overijssels geslacht van landjonkers en de verloofde van Nicoline’s liefste schoolvriendin. Hij had een paar weken tevoren de krant gehaald door in het openbaar te bedanken voor het Amsterdams Studenten Corps. Aanleiding was het Dachautje Spelen tijdens de ontgroening. Hoewel Nanne zich niet aan dat strontvervelende NIA-machismo had hoeven te onderwerpen – als marineofficier had hij het recht ‘op voet van gelijkheid’ toe te treden – hield hij het corps walgend voor gezien. Een besluit waarvan binnen het Old Boy Network zeker aantekening zal zijn gemaakt.
Op Nanne’s kleine kamer in de Frans van Mierisstraat blies ik ’s avonds Nicoline’s luchtbed vol om het ‘s ochtends meteen weer leeg te persen. Anders kon mijn gastheer niet achter zijn bureau. Tussen de bedrijven door leende ik nu eens een piek, dan weer een knaak. Af en toe zelfs een joet. Met de belofte, en de oprechte bedoeling, ze van mijn eerst verdiende salaris terug te betalen. Het is er nooit van gekomen.. De logeerpartij eindigde toen ik tot beider opluchting een kamer bemachtigde. Nota bene in dezelfde straat als het kantoor waar men mij de week erop verwachtte. Stom toeval, maar wel een uitkomst. De bijna naadloze eenheid van werken en wonen boezemde de hospita genoeg vertrouwen in om de borg, een maand huur, tachtig gulden, nog even te laten zitten. Maar de huur zelf moest wél meteen worden voldaan. Ik betaalde haar een tientje aan, sprong weer op mijn geleende fiets en reed die avond met grote volharding mijn adresjes af tot ik de rest bij elkaar had geleend.
Slotervaart is een van die godvergeten, thans ook namens Allah gebanvloekte ‘tuinsteden’ waarmee Amsterdam zich in de jaren vijftig verder westwaarts heeft uitgezaaid. De eerste woningen werden in 1955 in gebruik genomen en het lage flatgebouw (drie etages) waar ik mijn intrek nam, zal dus niet ouder dan vijf jaar zijn geweest. Maar de al dan niet door Sikkens geleverde verf bladderde reeds dat het een aard had, en de portieken verspreidden een muffe lucht.
Mijn hospita was een opwaarts strevende huisvrouw met iets te vlotte jurken die verrieden dat ze het leuk vond om wat jonger te worden geschat. Ze zal zeven- of achtendertig zijn geweest, maar zette zich schrap om niet tegen de veertig te lopen. Ze las wel eens een boek en had last van Openbaar Kunstbezit, hetgeen in de huiskamer zichtbaar was aan een paar blauwe Picasso’s en het Straatje van guess who. Maar wat vooral in het oog sprong, dat was haar bril. Een fikse vlinder met violet getinte glazen. Verder deed ze hoorbaar en volstrekt nodeloos haar best een Amsterdamse tongval te onderdrukken. (De best denkbare methode is gewoon je mond dicht houden, maar helaas kwam dat niet bij haar op). Haar huwelijk met een buschauffeur van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf, die na zijn diensten lag te pitten of zat te vissen, had twee dochters van de vrouwelijke kunne opgeleverd. Een lange donkere van achttien, die op haar moeder leek, en een kleine, ietwat muizige van bijna vijftien met vaalblond melkboerenhondenhaar. Met de drie dames was huiselijk verkeer mogelijk. Zelfs gewenst, zoals ik weldra zou merken.
Mijn allereerste huurkamer was pakweg viereneenhalf bij twee, met het voor mij te korte eenpersoonsbed overdwars in de breedte, onder het venster. Tegen een van de lange wanden –bij binnenkomst de linker – stond een formica tafeltje en een houten keukenstoel. De ander werd geheel in beslag genomen door de eiken ombouw van een lang verdwenen opklapbed. De heer des huizes, geen groot timmerman, had hem met een vijftal vuren planken tot wandmeubel-tevens-boekenkast gepromoveerd. Daarboven hing een roze Pablo. Die was vlug weg.
Ik at niet mee en genoot geen keukengebruik. Wel had ik verlof om op mijn kamer een kleinigheid klaar te maken. Kopje thee, kopje koffie. Als warmtebron fungeerde de blauwe eenpitter –merk Camping Gaz - die Nicoline bij een kennis had losgepraat. Prima toestel. Maar wel wat zwaar om ermee door de rimboe of de urbane jungle te sjouwen. Die eerste maand at ik uitsluitend kapucijners uit blik. Aanvankelijk had ik keus genoeg, want de doos die ik met korting bij een buurtkruidenier had betrokken, bevatte 26 forse gezinsblikken. Ik at kapucijners met en zonder augurk; met een veeg piccalilly of een blokje spek; sec of in het langnat dat ik verkreeg door een friemeltje bouillonblok in hun eigen sop op te lossen. Gesneden appel smaakte er ook goed bij. Na verloop van tijd wist ik niet beter dan dat de mens kapucijners at, zoals de koeien gras. Ik voelde me uitstekend, al ging ‘s ochtends luid ratelend af: kantoorkonijn met Gatling gun.
Doordat ik geen mensen zag – voor Nicoline en haar crowd bestónd Slotervaart gewoon niet – gaf ik zo weinig uit dat ik mijn hospita aan het eind van de maand zowel de borg als de nieuwe huur kon betalen. Een violette blik verried dat mijn notering aan haar beurs rijzende was. Ze liet er geen gras over groeien. Een paar dagen later ving ze me bij thuiskomst op. Vrijdagavond – haar man zat dan toch op de bus – had ze een cultureel avondje gepland. Deed ze wel vaker. “Het is echt hartstikke gezellig! Dan scrabbelen we een paar potjes en we praten over een boek dat we hebben gelezen of een film die we hebben gezien. Maar één ding staat vast: de televisie blijft uit.”
“Uhmhmmpf,” sprak ik gevat. “Echt reuzeleuk, hoor”, herhaalde ze. “Gerard komt ook. Hij is de verloofde van Dorien.” Dat was dus die grote. “Jullie hebben vast al kennisgemaakt. Nee? Wat mal! Hij is hier anders kind aan huis, dat zul je wel merken. Gerard is heel knap, hij studeert natuurkunde aan de VU.” Wist ik niks van, van natuurkunde, in elk geval niks later dan Newton, al blufte ik, in het nauw gebracht, een aardig mondje relativiteit mee. Gerard R. was een schrale, stuurse Zeeuw. Hij frummelde onophoudelijk aan Dorien heur haar en trok rare kusmondjes, wat met zulke dunne lippen als de zijne allerakeligst oogde. Na het scrabbelen, waarbij ik diverse onregelmatige werkwoorden op het bord vervoegde, ging ons avondje zijn culturele fase in. Zo kwamen wij te spreken over “Serpentina’s Petticoat”, de bundel verhalen waarmee Wolkers het jaar ervoor was gedebuteerd, en in het verlengde ervan over de veranderende zeden betreffende de omgang van jongens en meisjes en vice versa.
“Ik vind,” zei mijn hospita, hun moeder en zijn schoonmoeder in spe, “ik vind dat je opgroeiende kinderen vertrouwen moet schenken en de gelegenheid moet geven de liefde zélf te ontdekken. Een blosje verfde haar wangen roze en vloekte in pastel met haar brillenglazen. “Als kinderen één keer weten dat je ze vertrouwt, zullen ze nooit te ver gaan, vraag het maar aan Gerard en Dorien.” De gelieven lieten zich niet lang bidden. Gerard bleek vóór mij op die kamer te hebben gewoond. Wanneer de kwantummechanica hem de strot uitkwam, placht hij in de huiskamer aan te schuiven voor een praatje. Zo waren die culturele avondjes ontstaan. “Ja”, riep Désirée, Doriens spichtige zusje, mijn kant op, “met Gerard erbij was het hartstikke leuk. Veel leuker dan met jou.” – “Trek het je maar niet aan, hoor Ruud,” riep haar moeder met een violette knipoog, “je weet wat de moffen zeggen: “wat zich liebt, dat nekt zich”.
Uit het vervolg van de vertelling maakte ik op dat de vrijage van Gerard en Dorien van lieverlee een erkende status had gekregen. Des avonds laat, als de jonge R. net in zijn bed lag (mijn bed, gedverdemme) mocht zijn geliefde hem nog even welterusten komen wensen - “in mijn nachtpon en (kleurtje) ook wel eens in mijn baby doll.” – “Ja hoor,” vervolgde haar moeder, “en als de kamerdeur dan wel eens dichtging, en àls die nachtzoen soms eens wat langer duurde, dan raakte ik niet meteen in paniek, want ik wist, dat wíst ik gewoon, dat Dorien mijn vertrouwen niet zou beschamen. En Gerard, die lieverd, ook niet. Natuurlijk, ik weet dat de meeste moeders anders over zulke dingen denken. Maar ik ben nu eenmaal van de moderne gemeente, daar kan ik ook niks aan doen. Ik loop al mijn hele leven voor de muziek uit.”
In mijn altoos rusteloos associërende asohoofd dansten “zingen” en “kerk” de horlepiep, maar ik beet op mijn tong. Waarom, vroeg ik in plaats daarvan, was de jongeheer R. dan eigenlijk verhuisd? Waarom was hij niet gewoon bij zijn aanstaande blijven wonen? “Wat een malle vraag is dat nou weer,” antwoordde mijn hospita na een pijnlijke stilte. “Zodra een meisje verloofd is, staat haar reputatie op het spel. Gerard was zo fijngevoelig dat meteen te begrijpen. Trouwens voor zijn ouders zou zoiets natuurlijk helemaal niet hebben gekund.”
Een paar weken later was ik op een avond vroeger te kooi gegaan dan men van mij gewend was. Ik lag nog wat te lezen, toen er werd geklopt. Eerst dacht ik dat ik me het verbeeldde, maar aan gene zijde van de deur hoorde ik smiespelen, waarna de klop zich herhaalde, ditmaal wat krachtiger. Nog eer ik “wer da?” had geroepen, ging de deur een eindje open en struikelde Désirée naar binnen. Verbeeldde ik het me, of werd ze geduwd?
“Hallo,” fluisterde ze hees. “Ik heb morgen proefwerk Nederlands, maar ik weet me geen raad met de vragen. Kan jij me misschien even helpen?” Ze klemde een schrift onder de arm, maar verder was ze klaar voor dromenland. Haar gebloemde ponnetje toonde te veel van het weinige dat er te zien viel. Een nachtploeg van rode rollers stond voor de hopeloze taak dat vlassige haar in de krul te krijgen. Enorme toffels maakten haar benen extra dun. A foal. A filly. Een droom voor de H.H. liefhebbers, maar niet mijn kleur. Ze wilde op het puntje van mijn bed gaan zitten, maar met een afwerend gebaar wees ik haar de stoel. (Jezus! Mijn onderbroek!) “Moet je horen, Désirée,” gromde ik. “Het spijt me, maar ik heb een knallende koppijn en wilde net het licht uitdoen. Met dat proefwerk kan ik je nu echt niet helpen. Welterusten. Doe je de deur goed achter je dicht? ”
“Dat was nou niet aardig van je,” zei mijn hospita toen ik haar de volgende dag tegenkwam. Achter het violet stonden haar ogen op storm. “Maar goed, als jíj geen zin hebt om Désirée te helpen, dan hebben wíj geen zin meer in gezellige avondjes.”
