Constantijn Huygens
1596-1687
Ryswyck
Myn Rijs en wijckt voor geen, soo langh Castilien wijckt
Voor Nassaus hooger hand, die 't dagelicks verrijckt.
Men moght my op de ry van mijns gelijcken tellen;
Maer Maurits is te verr voor sijns gelijck te stellen;
Die luyster hanght my aen. Men noeme my dan stof,
Ick noeme my sijn Hof, ten minsten sijnen Hof.
't Viervoetige gebroed, sijn' liefste Hovelingen,
Zijn aen mijn' borst gespeent; waer Spagnen is te dwingen,
Daer worden sy met Hem ten voorsten uytgesett,
Verdien ick niet wat lofs in 's Vaderlands ontsett?
***
Mijn rijs wijkt voor geen zeis, zolang Castielje wijkt
Voor Nassau’s ruiterij, welke mij dag na dag verrijkt.
Wie meent mij met de dorpen over éne kam te scheren,
Vergeet dat ik de roskam ben van Maurits en zijn heren.
Hun sporen zijn de mijne. Heet mij rustig negorij;
Stalhouder heet ik mij van ‘s Prinsen stoeterij.
Mijn ridders op vier voeten - zijn liefste hovelingen,
Ik fok ze opdat hij de Spanjaard kan bedwingen.
Al is het door zijn meesterhand dat ik van voren rijd,
Prijs rustig ook het ros waarmee de natie wordt bevrijd.
---
Voor info over de auteur en het origineel:http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=huyg001
