1963. Ik was bijna twintig en ik werkte bij schoonmaakbedrijven en een tabaksveem in het Oude Entrepotdok. Maar de laatste tijd was ik vaak thuis. Moe en hangerig, beetje koorts, af en toe een pijnlijke hoestbui. Maar mijn huisarts hoorde niks bijzonders. Had ik als kind bronchitis gehad? Ja, dat kwam wel eens terug, later, met zulke verschijnselen. Op tijd naar bed, beter eten en minder drinken!
Als ik wat geld had, liftte ik naar Parijs, waar ik mij thuis voelde sinds het ‘volle leven’ er een paar jaar eerder voor mij was begonnen. Als het geld op was, sliep ik onder een brug en dan was het soms lastig om de flics ervan te overtuigen dat Frankrijk mijn echte vaderland was.
Overmorgen ging ik weer. Via een vriend van een vriendin van een copain van een kennis kon ik er een baantje krijgen, als ‘lezer’ op een persknipselbureau. Er zat zelfs een kamer aan vast! Ik wist niet precies wat het werk zou inhouden, maar opschieten moest ik wel, anders was het buitenkansje weg.
Als ik toch naar Parijs ging, vroeg Daniël, zou ik dan niet via Reims kunnen liften, nauwelijks om, teneinde Saïd, die daar aan het S.O.P.I.M.I.C. of iets in die geest voor sportleraar studeerde, een brief te brengen van hem, le frère ainé? Hij dorst de brief niet per post te sturen, want de hele familie werd nog steeds in de gaten gehouden. De Franse kolonisator was niet vergeten dat hij, Daniel Mokassem, in de oorlog een gevreesd plastiqueur was geweest.
Een terrorist, noemden ze hem. Een moordenaar. Ha! Zijn commando blies alleen gebouwen op en spaarde burgers, want Algerijnen, moest ik weten, waren tot de laatste man vredelievende mensen, geen sadisten zoals die smerige zwijnen van Massu. Die ene keer, met dat meisje in de Rue de l'Ancienne Comédie, dat was geen opzet geweest, maar pech. Wat moest zo'n kind ook zo laat op straat. Enfin, het had hem erg aangepakt, dat begreep ik intussen wel.
Hij was erdoor aan de drank geraakt, kopje onder, door de stroom meegesleurd en in Amsterdam aangespoeld... Banneling, vluchteling, verschoppeling. Sans famille, op die broer na dan. Maar gelukkig had hij mij ontmoet. Mij, de Hollander met een hart. Zijn vriend voor het leven. Neef, broeder...
Ik kende Daniël een paar maanden. In een zelfkanthotel aan de Marnixstraat, bij het Leidseplein, bewoonde hij een soort van alkoof, meer een diepe kast tussen twee met horecameubeltjes volgestouwde berghokken. Jan, de vroegere eigenaar, die er na zijn faillissement als nachtportier was blijven werken, hield er na tweeën een nazit waar van alles aanspoelde en bleef plakken. Zo had hij zich ook over Daniël ontfermd. En over mij.
Daniël, die in de ranzige hotelkeuken zelf een potje kookte, had me een keer op de couscous gevraagd waarbij het de bedoeling was dat we het gerecht in die tussenkamer zouden gebruiken, gezeten op zijn bed, knus bij een 40 watt peertje. Maar de stank van zweet en patchouli was er niet te harden geweest en we waren met pannen en al op de tram gestapt, om bij mij te eten.
Daar waren we mijn hospita tegengekomen, mevrouw Van G., die Daniël een hand gaf en later tegen mij zei: “Ik weet natuurlijk niet wat er bij uw Algerijnse meneer aan schort, meneer Rontèltap, maar volgens mij zou hij wel wat meer licht en lucht kunnen gebruiken.”
Reims! Waarom ook niet? Ze hadden er een Nôtre-Dame, zalfden er koningen – een soort uitslag, immers, het koningschap – en ze waren wereldberoemd om een Blancs de Blancs die stevig mousseerde doordat de druiven er lang en hardvochtig werden platgetreden en fijngekauwd door van die schrieperige Noordfranse wijfjes.
Wat voor sport studeerde zijn broer Saïd, daar aan dat S.O.P.I.M.I.C? “Van alles”, antwoordde Daniël. “Hij is heel goed in atletiek, loopt de honderd meter in 10 punt 8 en hij is een expert in de vechtsporten: boksen, savate en judo…” Judo! Welke band, wilde ik weten, want ik had zelf ook gejudood en, vertelde ik trots, zelfs tegen Anton Geesink gestaan. Ja, heus, tijdens een demonstratie, een randori, van Geesink tegen de sterkste judoka’s van onze sportschool.
“Dus zeg eens op, welke band heeft die broer van jou?” – “Nee, jij eerst…”- “Oké, ik heb de blauwe band.” Daar loog ik maar één band aan, al vergat ik voor het gemak dat het een enorme afstand is tussen groen en blauw. “En Saïd…?” drong ik aan. “Saïd is 1ste dan, maar een eind op weg naar de tweede, dus hij moet jou met gemak kunnen hebben, al ben jij groter en zwaarder.”
Toen judo na de oorlog ook in Europa als wedstrijdsport in zwang kwam, had Frankrijk jaren aan een stuk de hegemonie gehad, tot 1952 toen de Utrechtse reus aan het bewind kwam, eerst als Europees, later ook als wereldkampioen. Sindsdien gooiden “wij” die Fransen ook in de meeste andere gewichtsklassen waar we ze hebben wilden.
Niettemin: een zwarte band… Ach, wat kon het me schelen, ik ging toch niet met die Saïd de mat op. “Misschien vind je het leuk om een partijtje met mijn broer te draaien?,” zei Daniël, “als je er toch bent, bedoel ik. Zal ik de brief even openmaken, dan schrijf ik er een PSje onder.” Nee, zei ik, daar is geen tijd voor, want ik moet meteen door naar Parijs.
Ik keek hem na terwijl hij overstak naar het park, de hoek om, richting Waterlooplein, waar hij altijd wel wat te sjoemelen en te handelen had, want op die manier scharrelde Daniël zijn couscousje bij elkaar. Hij was pas dertig, maar in mijn ogen stokoud: kalend, een soortement tonsuur op de schedel, en afhangende, moedeloze schoudertjes. Vers medelijden overspoelde de Hollander met een hart. En hij maakte er geen moordkuil van.
“Goed, meneer Rontèltap,” zei mevrouw Van G. “Als u het goed vindt, vind ik het ook goed, het is per slot van zaken uw kamer. Maar alleen om te slapen zolang u weg bent, niet om te wonen. Kijk, ik heb hier nog een paar reservesleutels voor die Algerijnse meneer. Dat is ook heel geen doen, in zo’n kast. Wij moesten ons schamen.”
---
De week erna, vrijdag, even na de middag, liet ik mij in het centrum van Reims uit de cabine van een afgejakkerde Saviem zakken. Salut, merci, et bon weekend! Ik was dinsdag vroeg vertrokken en had gelukkig gelift, tot ik bij Saint-Quentin afboog voor de laatste etappe door onbekend terrein. Ter hoogte van Charmes was ik opgepikt door een spannende mevrouw in het wit, zowel zijzelf als haar 2CV. Na het diner bij haar thuis, in Laon, het juweel van Picardië en Frankrijks noordelijkste wijnstad, had zij mij nog het een en ander bijgeleerd.
Nu als een speer die brief bij Saïd afgeven en dan meteen door naar Parijs om in mijn vaste hotelletje bij te slapen, want ik liep onderhand op mijn tandvlees. Mooi, het S.O.P.I.M.I.C was vlakbij. Zou ik die brief maar niet gewoon bij de portier of de receptie droppen? Dan hoefde ik die hele Saïd niet te zien, en kon ik meteen door. Maar Daniël had het me bezworen: persoonlijk afgeven, want de SDECE had overal ogen en oren.
Het was wederzijdse afkeer op het eerste gezicht. Saïd was een mediterraan haantje van de allerergste soort. Knap ook nog, al werden zijn wangen godlof ontsierd door sporen van acné, maar je zou zien dat die stomme meiden dat dan juist weer aantrekkelijk vonden. Maar voor de rest: perfect. Un mètre quatre-vingts, des biceps plein les manches… Leuk en aardig, maar hij moest wél dik vijftien centimeter naar mij opkijken, omhoog, en dat stond meneer zichtbaar niet aan.
Ah zo, ik kwam namens Daniël. Très gentil, maar hij had zijn broer al honderd keer gezegd: het geld was op en hij moest maar eens leren voor zichzelf te zorgen. Voilà, c’est tout en tant que ma réponse. Ik keek hem aan, een beetje spottend wellicht. Hij had de brief nog niet eens opengemaakt, al was het maar omdat ik hem nog in de hand hield.
Ik wapperde ermee en lachte eens wat. “Ja, hoor eens, ik weet zo al wat erin staat, zei hij. Het is heel vriendelijk dat u helemaal naar mij toekomt om hem af te geven… Verder naar Parijs, vanavond nog? Ik kon beter tot morgen wachten… Voor één nacht kon hij me wel ergens op de campus onderbrengen. Dan gingen we eerst samen eten in de kantine, na afloop van zijn judotraining… Wacht eens, ik was toch Nederlander? Judode ik misschien ook…?
---
De perfect geoutilleerde dojo was een weiland vol buitelende en wervelende judoka’s, allemaal van de hogere banden, een paar blauwe, veel bruine en héél veel zwarte banden. De baas van het spul kwam even kennismaken. Iedereen noemde hem sensei, op zijn Japans. Welkom! Dus ik was een Nederlandse judoka die ook al eens tegen de grote Anton had gestaan? Hij zou even een pak voor mij regelen. En welke band draagt de geëerde gast? Bleu.
Waarom loog ik? Waarom verstrikte ik mezelf in mijn leugens? Hybris, hybris en haat. Ik zou die arrogante klootzak van een Saïd eens een lesje leren! Een wreker was ik. Zo neerbuigend, zo verachtend over zijn broer te spreken, tegen een wildvreemde ook nog!
Wij kleedden ons om en bij wijze van warming up gingen wij valbreken. Ukemi. Mijn tegenstander, mijn vijand, werkte de kata een aantal keren volgens het boekje af, sierlijk en perfect in balans, zonder dreunen en platslaan. Vergeleken met Saïd was ik even sierlijk als een buffel. Ik had het al in geen jaren gedaan en het lawaai van mijn neerstortingen bracht de sensei op een holletje naderbij.
Zeker, ik had vaker gejudood, dat zag hij heus wel, maar toch even een vraagje, had ik echt een officiële blauwe band gehaald, in een erkende sportschool en volgens la méthode Kodokan?
Wel, dan mochten Saïd en ik, wat hem betrof, onze vriendschappelijke landenwedstrijd beginnen. Best of three. Men wierp mij op voorhand de handdoek toe, want ik was dermate opgewarmd dat ik zweette als een afgejakkerd postpaard. In een flits dacht ik terug aan die ene keer dat ik een tweede dan, een oud, kaal kereltje met scheenbeschermers, met een tsuri komi goshi had verschalkt. Het is een heuptechniek die een kleinere judoka niet als eerste van een lange tegenstander verwacht, zoals Anton, ik bedoel sensei Geesink, de lezer zal bevestigen.
En ik moest het snel doen ook, want mijn knieën knikten nu al van vermoeidheid en ik ademde zwaar. Hajime, zei de sensei. Ik greep Saïd met mijn rechterhand bij de linkerlurf van zijn judopak, trachtte hem op te stoten en draaide mijn kont in zijn maagstreek met de bedoeling hem over mij heen te laten tollen en op zijn rug te gooien. Hij blokkeerde mijn aanval even achteloos als doeltreffend door zijn buikspieren te spannen en mij af te houden. Op dat moment had ik mijn aanval moeten afbreken om iets anders te proberen. Maar ik was al zo moe dat ik de voorwaartse beweging doorzette. Door mijn wankelende massa en het draaimoment werd Saïd half over mij heen getrokken, zodat ik door mijn standbeen zakte en met hem op mijn rug zwaar ten val kwam. De mat lustte mijn gezicht rauw.
Oranje onder! Wij krabbelden op en de sensei legde de joelers en de gnuivers met een handgebaar het zwijgen op. Hij bracht mij naar zijn kantoortje en behandelde mijn neus – “niet gebroken, maar hij zou wel eens schreef kunnen blijven staan” – en zalfde mijn schaafwonden. Hij bracht me mijn kleren en ik kleedde mij om. “Ik hoorde van Saïd dat u vanavond nog naar Parijs wilt, per autostop!?” Ik schudde van nee. Eén blik in de spiegel had me geleerd dat dit bij een sollicitatie vermoedelijk als géén gezicht zou worden beoordeeld.
De sensei, die intussen weer gewoon M Dupré heette, bracht mij naar de provinciale weg richting huis. “U hebt beslist aanleg, hoor,” verzekerde hij me alvorens te keren. “Maar dan moet u helemaal opnieuw beginnen, bij een goede judoschool, Méthode Kodokan.”
---
