Constantijn Huygens 1596-1687
Monnickendam
't Zuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam
Die van een Monick-Meer wel eer sijn Doopsel nam.
Meer eertijds, nu niet meer, hoe sien ick uwe baeren
Van baeren ingeslockt? als minder Visschen vaeren
Van die haer meerder zijn. En, vraegh ick 't oock de faem,
'k En leere geen bescheid van d'ouder' baeren naem.
Al vult ghy dan mijn' Schild, staet buyten halve-Paepen,
Om blijven dat ick ben, behoev' ick meer als 't gaepen:
Mijn' Borgers moeten bey Godsdienstigh zijn en koen;
Hun wel-zijn hanght gelijck aen 't Bidden en aen 't doen.
Aant. Huygens in de marge
De Monick Meer leght nu met de Zuyder-Zee gemeen.
---
Monnickendam
Het zuidoost Purmereinde baarde land achter een dam
Die van het eer verzwolgen Monniksmeer de naam nog nam.
Eertijds een meer, geen meer meer nu, benoem ik alzo baren
Die trots verloren waterkrijg hun naam nog konden sparen.
Zo deel ik mee in oude faam, al is mij onbekend
Welk kloostervolk hier thuis was, aan het natte element.
Ik voer u in mijn schild, doch blijft maar buiten, halve papen,
Om wat ik ben te blijven, is het te min, uw vrome gapen!
Mijn burgers moeten beide zijn: godvrezende en koen
Hun welzijn hangt van bidden af, maar evenzeer van doen!
---
