More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Loochenen

Zondag: de hoogmis in onze parochiekerk, die mijn vader beneden zijn stand vond, na bij de bisschop zelf te hebben gekerkt. Daarom zong hij niet in het ondermaatse kerkkoortje dat hij met zijn dunne maar messcherpe tenor vanuit de banken overstemde. 

Zondag: pastoor Schalks op de krakende kansel met zijn als preek vermomde huishoudelijke mededelingen. Hij wilde geen kinderen bij de hoogmis, die maakten maar herrie onder de consecratie. Stilte wilde hij, als hij het Wonder voltrok. Doodse stilte!

Hoe vaak moest hij er nu nog op wijzen dat er  in de kerkhofkapel een speciale kindermis werd opgedragen. "Beminde gelovigen, ik hoop dat ik het u nu voor de laatste keer mag voorhouden: des zondags horen uw kinderen thuis op het kerkhof."

Acht was ik en ik geloofde al niet meer zo erg in God. In mijn vader had ik vurig en totaal geloofd, zoals Isaac in Abraham. Maar nu hij me om de haverklap sloeg, geloofde ik met elke klap minder -  in hem en in God de Vader.

God de Verrader.

Maar je was niet zo maar van Hem af. Daartoe moest je Hem bij je volle verstand loochenen, niet in een opwelling of per ongeluk, door te vloeken, bijvoorbeeld. Riep mijn vader in drift “verdomme” of zelfs “godsgloeienderotgodverdomme”, dan moest dat worden gebiecht, maar met echte godslastering had het niks te maken.

God was wel streng, maar bovenal rechtvaardig. Hij lag niet op de loer om je bij elke verspreking naar de Hel te sturen, zo was Hij niet. Pas als je het met opzet deed, was het menens. Dan scheurde de aarde onder je open en sleurde Satan je de vlammen in.

Leek me een beetje sterk.

Zou ik het durven? Eigenlijk niet, maar juist daarom wel. Ik liep weken te dubben over de juiste formule. Zocht in de bijbel naar mooie teksten, maar ze waren allemaal veel te lang. Stel je voor: Satan stond al naast je terwijl jij pas halverwege was. Dat kon natuurlijk niet. Ik besloot het kort te houden.

Op een zondag zaten wij na de hoogmis aan tafel. De warme maaltijd zeurde ten einde. Wij schraapten onze borden schoon, ten teken dat wij aan de pudding toe waren. Griesmeel met bessensap. Mijn moeder was het flesje Tova vergeten. Wilde ik… die rode moest ik hebben! Ik stond op en dacht: “Nu”.

Het zong in mijn hoofd. Ik voelde me draaierig, misschien nog van de andijvie. In de keuken richtte ik mij, staande naast het aanrecht, in mijn volle lengte op en vroeg luid, duidelijk en niet mis te verstaan:

“God-verdom-mij”.

Op het laatste moment bedierf ik alles door me aan het terrazzo vast te klampen: een godsbewijs van twijfel aan mijn ongeloof, en voor de Allerhoogste mogelijk aanleiding mij voor die ene keer nog te sparen.

Uitstel van executie.
---