Landjes
1949/50 . Ik was zes. Ruim zes, maar nog lang geen zeven. Groot, log en loens, wat menigeen recht voor mijn raap ‘scheel’ noemde, want het was vlak na de oorlog en herrijzende Hollandse jongens moesten tegen een stootje kunnen. Ik woonde in Haarlem Noord, de vroegere plattelandsgemeente Schoten die in 1927 voor driekwart* door de snel groeiende Spaarnestad was ingelijfd. Thuis was er nog een broertje van twee, Fransje, voorzien van allerlei aardige details zoals rood haar, sproetjes en een fluwelen oogopslag waarmee hij iedereen plat kreeg. Alleen mij niet. Noemde ik hem ‘rooie’, dan kreeg ik op mijn donder, want oudere broers moesten wijzer zijn en niet jaloers, dat was voor meisjes.
Mijn moeder was in Schoten geboren en getogen. Van haar wist ik dat het politieposthuis aan de Rijksstraatweg, de slagader naar Velsen en zijn smeltkroezen, het gemeentehuis was geweest. Vandaar dus die hoge trappen en het bordesje. Het verhaal over de annexatie stemde mij boos en opstandig. Dat deed maar raak, zo’n grote stad! Dat verzette gewoon op eigen houtje de grenspaaltjes!
Goed beschouwd waren we dus geen Haarlemmers, met een ingelijfde moeder en een vader die uit Delft kwam. Wij bungelden er maar zo’n beetje bij. In gedachten noemde ik mij wel eens Heer van Schoten (want ik las Fulco de Minstreel) en ’s nachts, op het randje van de droom, zag ik mij, hoog te paard, aan het hoofd van een machtig leger over ’s Rijks Heirbaan binnenrijden om de wrede en arglistige Haarlemmers (die met dat rode haar) uit mijn geliefde Schoten te verjagen. Hoe het vervolgens met mijn moeder moest, daar was ik nog niet helemaal uit.
De Rijkstraatweg was de ruggengraat van Haarlems stadsuitbreiding in noordelijke richting. Al voor de oorlog waren aan weerszijden nieuwe buurten verrezen. Aan de oostzijde liepen die tot aan het Spaarne en het Buiten-Spaarne, maar aan de andere kant was de bebouwing rafelig, met nog flink wat wit op de kaart. Dat waren de ‘landjes’. Je kampeerde er, in je eentje, zoals ik, of met meer, zoals de meeste anderen, onder een oud vloerkleed of een mottige deken, tussen hoog doorschietend gras, puin en modderpoelen zodat je kon nagaan of je schoenen wel echt waterdicht waren.
Als ik niet thuis zat te lezen, was ik hele dagen op de landjes, waar ik veel las en af en toe een beetje met mijn piemel speelde, wat niets met meisjes te maken had, alleen met mij en het gras en de hemel en de lucht van aarde en buiten. Het geraamte van mijn tent bestond uit twee stevige stokken, een paar meter waslijn, vliegertouw voor de scheerlijnen aan kop en kont en een paar haringen die mijn vader voor me had gemaakt. Mijn tent was meestal een oude deken, maar als het erg warm was deed ik het met een laken, wat wel riskant was als je toevallig eens, zonder dat je er erg in had, met je piemel speelde. “Hé, godverdee, kijk eens, kijk eens ” hoorde je dan soms, “die zit vies te doen, in z’n tent”, want je had je landje nooit voor je alleen. Ook kwam het voor dat je eraf werd gepest of geslagen, en dan moest je dus een nieuw landje zoeken. En dikwijls was dat al van iemand anders.
Ik mocht nog niet naar de ‘grote school’ want ik was half oktober geboren, net te laat om als jonge zesjarige te beginnen. Mijn schoolleven zou pas beginnen als ik al bijna zeven was. Mijn ouders vonden het nogal vervelend dat ik ‘onvoordelig jarig’ was - mijn vader omdat ik een leerjaar moest verbeuzelen en mijn moeder omdat ik haar astraal voor de voeten liep, zelfs al zat ik lijfelijk op mijn eigen landje. Gelukkig had mijn vader mij al op mijn vijfde geleerd zelf te leren lezen, anders had ik mij te pletter verveeld. Nu niet. Ik las van alles en nog wat, jongensboeken uit de katholieke bibliotheek, grotendeels van voor de oorlog, waarin de jongens hun vaders nog petten droegen, en vooral de echte boeken van mijn vader, waaronder een prachtuitgave van Lafontaine’s fabelen, op groot formaat met de gravures van Gustave Doré – altijd goed voor een mooie nachtmerrie - en de geschiedenis van Saartje Burgerhart. Ik snapte er maar weinig van, en misschien wel helemaal niets, maar wat vond ik het mooi, hoe de mensen en de dieren elkaar in die boeken toespraken. Mijn moeder dacht daar anders over. Zij werd boos als ik haar “Sotje” noemde, terwijl mijn vader mij, wat ik ook soebatte, nooit heeft willen vertellen wat dat toch was, een “lichtmis”.
Af en toe stroopten agenten van politie de landjes af. Misschien om jongens te betrappen die nodeloos aan hun piemel zaten, maar toch vooral om je in te peperen dat niet alles zo maar ging. Wat deed jij daar en moest jij niet naar school. En blijf daar niet als een vod liggen als ik tegen je praat. Onvoordelig jarig? Nou, dan was jij wel héél erg groot voor je leeftijd, broer. Waar woonde je, dan gingen wij het wel even vragen, of het waar was wat je daar vertelde.
En dat terwijl ik dolgraag op school had gezeten. De vrijheid was maar behelpen, want je hoorde nergens bij. Hij stond met de achterkant nota bene bij mij in de straat, de school die me nog niet wilde hebben, aan het eind. Je kon er op de speelplaats kijken en je zag de vensters van de klaslokalen. ‘s Zomers, als het warm was, wat het meestal was, stonden ze open en kon je de gelukkigen hun rijtjes horen opdreunen: ”… Bali, Lombok, Soembawa, Soemba … Flores, Tieeemor!” Dat, legde mijn vader uit, waren de eilanden van Nederlands Indië, onze gordel van smaragd, bevolkt door goedlachse, van nature volgzame inlanders en hun karbouwen die nu –“Wat? Ja, de karbouwen ook” - door een handjevol communisten tegen ons werden opgeruid. Maar geen nood, onze jongens zouden die ploppers, die verraders, wel even mores leren, verdomme nog eens an toe. Er werd al stevig gevochten… Naar school wilde ik, naar school, voor het allemaal voorbij zou zijn.
Op zoek naar landjes waar ik niet zou worden belaagd, niet door agenten van politie of communisten of die gemene gastjes van het Zaanenpark, verlegde ik mijn horizon steeds verder noordwaarts. De grens tusen onze wijk en het hogere noorden werd gevormd door het water van de Jan Gijzenvaart, met aan gene zijde huizen, maar aan onze kant grotendeels onbebouwd met een wandelpad erlangs.
De vaart was niet breed, in mijn herinnering een meter of vier, vijf, met waterplanten en eenden en maar af en toe een kano of een roeiboot. Als die onder de houten loopbruggen doorgleden, moesten de koppen diep tussen de schouders, want vlak boven het water liep een smalle houten balk die het geheel in zijn fatsoen hielp houden. En op die balk, wist ik, want ik had het vaak genoeg gezien, deden behendige, lenige jongens wedstrijdjes wie het snelst heen en weer kon. De ene voet precies maar snel voor de andere zettend, want de balk was niet als voetpad bedoeld. Bovendien moest je onderweg, in een vloeiende beweging, anders viel je zeker, half over, half langs de dwarshouten tussen de evenwichtsbalk en het brugdek springen. En je kon beter niet vallen, want er viel weinig te zwemmen, de vaart zat vol prut.
Op een middag kwam ik aangeslenterd, niet over straat, maar via een landje dat zo te zien van niemand was, want het lag vol puin en zooi en lege flessen, zodat ik geen belangstelling had. Toen ik vlak bij de vaart was, hoorde ik roepen. Er was kennelijk wat gebeurd, aan de overkant. Ik brak door het wuivende gras en stond op het voetpad. Dit is wat ik zag:
Op het geschoren gras aan de overkant lag een jongen, met zijn lijf en zijn hoofd onder een mooie, effen blauwe deken. Zijn schoenen en zijn afgezakte kousen staken er onderuit. De wallenkant glooide, zodat hij erbij lag alsof het een etalage was. Een paar mannen liepen zenuwachtig roepend heen en weer. “Waar blijft hij nou toch?” kon ik verstaan. Maar ik lette niet op de mannen. Ik had alleen oog voor de vrouw. Zij was nog jong en zij droeg een bloemetjesjurk. Haar gezicht was vertrokken. Haar mond was wijd open en het leek of zij schreeuwde, maar zij maakte geen geluid. En zij trok zich het haar uit haar hoofd, met grote plukken tegelijk.
“Sta daar niet te koekeloeren, rot schoft dat je d´r bent”, schreeuwde een van de mannen. Hij maakte aanstalten om over de brug te komen, maar op dat moment riep een ander “Wacht, Cor, daar heb je hem!” Het was een nieuwe ziekenauto, een mooie witte Packard Clipper, met een kruis dat verlicht was. Ik draaide mij om en verdween tussen het gras. De dag erop ben ik nog wezen kijken of de deken… maar nee, die hadden ze natuurlijk meegenomen. Ook het haar was opgeveegd of weggewaaid.
---
* De rest ging naar Spaarndam
