More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Lammie Gods
Leren was je dure kinderplicht, maar tussen de lessen door en na school moest met evenveel inzet worden gespeeld. Je was maar één keer jong. Dus vángen die bal! Húp, dat wandrek in! Spelen deed je bij voorkeur in groepsverband. Zonderde een jongen zich af, dan was dit, lang voor de jaren der zelfbevlekking, al een veeg teken.

Omdat ik in de groep alleen goed lag als ik ónder lag, drukte ik me waar mogelijk. Tijdens het speelkwartier bewaarde ik vooral afstand, waarbij ik er als geoefende prooi op lette dat zich tussen mijn positie en die van mijn cirkelende belagers steeds een surveillerende leerkracht bevond. Zolang een zichtlijn met het gezag open bleef, konden de voetballertjes mij niet ongezien als bal gebruiken.

Niet dat de meesters, als het toch gebeurde, meteen ingrepen. Veelal moest ik het inleidende duw-, trek- en spuugwerk lijdelijk ondergaan, soms een eerste serie klappen. Dat was goed. Billijk en heilzaam. Zo riep de groep afwijkende elementen tot de orde. Zo zou die brillenjood het spelen wel leren. Krák.

*

Toen het eindelijk tot mijn vader doordrong dat zijn stamhouder geen fiere kampvechter was die, na lang te zijn getergd, zijn tegenstanders met enkele harde doch faire vuistslagen uitschakelde en vervolgens – vooruit joh, zand erover - tot gezworen kameraden maakte, begon hij actief naar ‘speelmakkertjes’ voor me om te zien.

Zo kwam hij op zekere dag, via meneer pastoor, met Lammie op de proppen. Lammie, voluit Lambertus Jozephus Gijsbertus Maria Bolman, woonde een paar straten verderop, dus ik kende hem van gezicht. Hij zat op een andere school dan ik. Zo een waar wijwater uit de kraan kwam. Waar je alleen op mocht wanneer je luren al een geur van heiligheid hadden verspreid. Lammie was rondom Roomser dan de paus. Hij zou naar het seminarie gaan. Deo volente, vanzelfsprekend, maar je kon er alvast vergif op innemen.

Op een vrije woensdagmiddag ging onze bedisselde vriendschap in première. Hoewel hij, net als ik, al ácht was, werd Lammie door zijn moeder gebracht. Hij noemde haar ‘Moes’, hoorde ik. Om de bloemetjesheupen van onze mama’s heen namen we elkaar de maat. Lammie, zag ik nu goed, had een vochtige mond die niet dicht kon doordat zijn gele tanden ver naar voren staken.

Hij zeverde onophoudelijk en veegde het vocht met de rug van zijn hand aan de pijpen van zijn korte manchesterbroek af. Zijn fletse oogjes waren roodomrand en vrijwel wimperloos. Zij keken de wereld in met de uitdrukking van iemand die weet dat hij het met zichzelf getroffen heeft en dat alles alleen maar beter kan worden. Tegen zijn lijflucht – een potpourri van natte dweil & afvoerputje – was het goedkope odeur van zijn moeder niet opgewassen.

In de huiskamer was alles spelgereed. Mijn vader had de tafel verschoven en het smyrnatapijt (eigen knoop) opgerold, zodat we op het zeil vrij baan hadden, wat mijn moeder niet graag zag omdat het strepen gaf. Voor het dressoir had ik mijn Dinky Toys geparkeerd: de Standard Vanguard, de geblutste Morris Oxford, een hele rits Commer lorries en, mijn trots, de zilverwitte, kortneuzige renwagen van Auto Union.

Toch waren de auto’s maar een bijnummer. Na eindeloos soebatten had mijn vader, bij hoge uitzondering, De Trein tevoorschijn gehaald. Een locomotief met een losse tender en drie wagons, aangedreven door een langlopend veerwerk, zodat de puf niet al na één rondje op was. Niemand had zo’n mooie trein als ik. De groen met rode loc had drijfstangen die echt heen en weer gingen en hij was voorzien van een grote schuif die over de rails scheerde. “Om de sneeuw mee weg te vegen,” legde ik uit. Lammie haalde zijn neus op. Hij zag het een paar rondjes aan en wilde toen wat anders gaan doen. “Een trein is steeds hetzelfde.”

Toen mijn auto’s hem evenmin konden bekoren, vielen we terug op de blokkendoos. In de loop der jaren had ik, vooral door toedoen van bezoekende tantes, een massa bouwmateriaal verzameld. Zuilen, timpanen, wat niet al. Lammie zeeg op zijn knieën neer en begon de blokken te sorteren, alle soort bij soort. “Weet je wat?” zeverde hij geestdriftig. “We gaan een kathedraal maken.”

De rolverdeling was simpel. Lammie bouwde. Ik gaf aan. Met de pest in mijn hart, maar het was duidelijk: hij had het meer gedaan. In een mum van tijd verrees op het zeil zo niet een kathedraal, dan toch een kloek bedehuis. “Thuis,” prevelde de jonge bouwmeester voor zich heen, “thuis heb ik nog veel meer blokken dan jij, met een echte koepel. Daar kan ik de Sint Pieter mee bouwen. Maar dat doe ik niet meer, want ik heb nu mijn eigen kapel.”

Hij leunde achterover en bezag het werk zijner handen. “Mooi”, zei ik. “Alleen is het geen kerk, maar gewoon een garage met een toren.” En ik maakte aanstalten een van de Commers in z’n achteruit naar binnen te rijden, trap of geen trap. “Nee,” gilde Lammie. “Het is geen garage!” Hij greep me vast. Ik rukte me los, gleed uit en kwam dreunend ten val, met als gevolg dat Lammie’s godshuis eveneens instortte.

Huilend wierp de jonge architect zich naast de ruïne op het zeil. Dit gedruis kon mijn altoos waakzame moeder uiteraard niet ontgaan. Ze rende de kamer in, gaf me alvast een lel – je wist maar nooit waar het goed voor was – trok de jongeheer Bolman op zijn stutten en trachtte de tranenvloed te stelpen. Maar mijn bezoek was ontroostbaar. “Ik wil naar huis,” jammerde het. “Naar Moes.”

*

Maar mijn vader gaf zich niet zo maar gewonnen. “Spelen,” hield hij mijn zuinig kijkende moeder voor, “spelen moet je léren.” Met als gevolg dat Lammie een week of wat later, op een zondag, aan de deur werd afgeleverd om bij ons het noenmaal te gebruiken. Toen hij de kamer binnenkwam, haalde hij luid zijn neus op. “Ha, die Lammie”, riep ik olijk, “ben je nou nóg aan het janken?”

Zijn gezicht betrok, maar mijn vader voorkwam dat Moes moest worden teruggeroepen nog voor ze de straat uit was. Als een ervaren vogelaar lijmde hij Lammie met een bevlogen recensie van de hoofdmis en de wisselende gezangen van die zondag. “Ja, meneer,” antwoordde de jonge Bolman geanimeerd. “Wat u daar zegt, dat vind ik nou ook. Ik zou ook liever Gregoriaans horen, maar ja, dan zingt het volk helemáál niet meer mee.” Mijn vader zat paf. Aangenaam getroffen. Ik besefte dat er een wonder nodig zou zijn om deze vriend te lozen.

Maar wacht eens… Mijn moeder had toch Haagse Bluf gemaakt? Misschien waren de wonderen de wereld niet uit. Haagse Bluf – stijf geklopt eiwit met bessensap en suiker – was bij ons het standaardtoetje voor jeugdige bezoekers. Het heette luchtig te zijn, maar kon onverwacht zwaar op de maag liggen. Mede door toedoen van mijn vader, groot grapjas en eminent kenner van de kinderziel. Zou hij…?

De zenuwen gierden door mijn keel. “Als je bord leeg is, Lammie,” sprak mijn vader, zijn laatste happen spruiten en piepers met de stollende jus fijn prakkend, “schraap het dan maar eens extra goed schoon. Want zó zijn we nog niet klaar met je. Haha. Er komt nog een toetje toe. Of niet, moeder?”

Hij zou! “Haagse Bluf,” vervolgde hij, “is misschien wel het lekkerste toetje dat er bestaat. Het mag alleen niet te lang staan, met al die verse eieren, anders bederft het. Ruud, loop jij eens even naar de keuken…” Natuurlijk had ik de kom in de gang moeten laten vallen. Zoals ik me had voorgenomen toen mijn nichtje Agaat, net vier, uren na haar verbluffing nóg had liggen huilen. Aan de andere kant vond ik het ditmaal wel mooi. Een goede les voor dat heilige boontje.

Ik zette de rode heerlijkheid dus ongeschonden op tafel. Mijn vader liet er geen gras over groeien. “Zeg, moeder…”, zei hij. Zijn kloeke neus daalde tot even boven de blufspiegel. “Zeg moeder! Je hebt toch wel de vérse eieren gebruikt?! Weet je het zeker? Volgens mij ruikt dit toetje niet fris. Wat jámmer nou! Ach, Lammie… Wil jij misschien ook eens even ruiken…? Wat vind jij…?”

Páts! De tik op het achterhoofd was precies op maat. Niet te hard, want dan moest je de bluf van het plafond krabben, maar ook weer niet aarzelend. Lammies aangezicht verzonk in de roze massa en herrees met de juiste dosis struif op wangen, neus en kin. “Hahaha,”schaterde mijn vader. “Een clown! We hebben een clown in ons midden.” Gierend en zich op de dijen slaand, wachtte hij af hoe dit nieuwe slachtoffer op zijn vermakelijke voltreffer zou reageren. Huilen? Verbijstering?

Lammie bleef een paar tellen roerloos zitten. Toen zei hij iets dat nog nooit iemand voor hem had gezegd. “Goeie grap, meneer. Al zag ik natuurlijk aankomen wat er ging gebeuren!” Mijn verwekker was op slag uitgelachen. “Zo,” antwoordde hij gemelijk, “zag jij dat aankomen?! Nou, dan ben jij zeker helderziende.”

Toen Lammie een kwartier later was vertrokken – hij mocht de gevaarlijke tocht intussen zonder Moes maken – hing mijn vader als een lekke achterband in zijn leunstoel. “Zag het aankomen,” lispelde hij voor zich heen. “Acht jaar!? Maak dat de kat wijs!” En tegen mij: “Die Lammie, ik weet het niet. Volgens mij is er wat mis met die jongen. Zoek jij maar iemand anders om mee te spelen.”

*

Mijn opluchting was van korte duur. Een paar dagen later stond Moes voor de deur. Geen woord over de bluf. Integendeel. Of ik zin had om woensdag bij Lammie te komen spelen? Mijn moeder vond van wel. Zij bleek veel belangstelling te hebben voor het interieur van de Bolmannen en vertelde me haarfijn wat ze weten wilde. Na mijn binnenkomst serveerde Moes ons in de huiskamer een beker vellenmelk, zodat ik alvast een deel van de vragenlijst kon afwerken.

“Zo”, riep Lammie plots. “En nu gaan we naar mijn kapel.” Hij ging me voor op de binnentrap (“terra loper, koperen roeden”) die ons naar een ruime zolder voerde. Op een van de deuren was een meer dan manshoog gouden kruis geschilderd. Lammie wenkte me naar binnen. “Dit is mijn kapel,” zeverde hij opgewonden. “Hier gaan we samen de mis doen, jij en ik. Ik was de pastoor, want het is natuurlijk míjn kapel, en jij was de misdienaar.”

De aanduiding “kapel” was niet overdreven. Wat de oude Bolman in devote huisvlijt bijeen had gebasteld, was een waar wonderwerk. Een compleet altaar met alles erop en eraan. Met échte kelken en zelfs een monstrans. Achter de offertafel, een wonder van neogotisch triplex, brandde een heuse godslamp. Moes had evenmin stilgezeten. Indachtig het vermaan dat het “niet goed (is) dat de handen ener vrouw werkeloos vallen in haar schoot”, had zij een diepe kast gevuld met liturgische gewaden - van superplies, met fijne kant afgezet, tot kazuifels in diverse kleuren. Rood voor martelaren, groen voor belijders, wit voor maagden en diepzwart (met veel zilverdraad) voor de dooien.

Zonder dralen hulde Lammie zich in het rood. (God weet wat hij met me voor had). Ik moest me behelpen met een knellende superplie, maar eerlijk is eerlijk: ook in de pastorie van onze parochiekerk was er nooit een die me paste. Terwijl ik hem de ampullen aanreikte en het evangelieboek van hot naar her zeulde, merkte ik dat Lammie als celebrant zijn zaakjes kende. Hij had het in de kerk zonder moeite van meneer pastoor kunnen overnemen. Zijn consecratie was zelfs stukken beter.

De oude Schalks werd bij het uitspreken van de Heilige Woorden regelmatig verrast door een duivelse kriebelhoest die minutenlang kon aanhouden (sommige jongens sloten er wedjes op af). Nee, dan had Lammie’s gezever meer wijding. Hic est enim… Hoog, zo hoog als zijn armpjes reikten, hief hij zijn kelk. En terwijl ik, aan de voet van het altaar neerknielend, als een nar met mijn belletjes rinkelde, meende ik achter het zolderraam een witte duif te zien. Het kán verbeelding zijn geweest.

Na een minder bevredigende nuttiging – de hostie was een wit kartonnen rondje en dat aten we natuurlijk niet op – spraken we met Moes af dat ik de week erop weer “misje” zou komen spelen. “Maar dan mag ík de priester zijn,” riep ik vol vuur. Lammie mompelde iets onverstaanbaars.

*

“Maar heb je dan niet gekeken wát voor naaimachine of dat ze heeft?!,” riep mijn moeder. Ze hief haar handen ten hemel. (Zij ook al). “Natuurlijk heeft ze een naaimachine, domkop! Of dacht je soms dat ze al dat priegelwerk met de hand zit te doen?! Het merk wil ik weten en kijk de volgende keer meteen of er een zigzag op zit.”

Op school bracht mijn omgang met de jongeheer Bolman me evenmin zegeningen. “Hé, schele,” riep dat gemene gozertje van het Zaanenpark, klas lager, kop kleiner, maar tien keer zo sterk. “Zeg eens, brillenjood! Wat hoor ik? Ben jij vriendjes met Boontje Bolman? Waarom ga je dan niet bij hém op school zitten?” Hij schopte in de richting van mijn schenen. De schaduw van een surveillant streek over het plein en het speelkwartier was voorbij. “Wacht maar, dadelijk krijgen we je wel,” siste het gozertje.

Aangezien de jongens van het Zaanenpark zulke beloften altijd nakwamen, verscheen ik de volgende woensdag bij Lammie met een blauw oog en een verse korst op mijn knie. “Een priester met een blauw oog,” zeverde hij ontdaan. “Dat is toch geen gezicht! Misschien kun je beter nóg een keer misdienaar zijn.” Moes knikte instemmend en schonk nog wat melk bij de vellen.

“Néé”, schreeuwde ik met de plotselinge heftigheid die een van mijn minst innemende eigenschappen is. Andermaal als aangever van kelk en Schrift dienst doen? Had ik daarvoor op mijn flikker gehad? Mooi niet. Nu zou die Lammie eens zien hoe ík de consecratie aanpakte!“Néé, godverju! Dit keer ben ik pastoor!”

Moes sidderde bij mijn vloek en koerde met bedeesde kropgeluidjes. “Bovendien,” vervolgde ik op normale sterkte, kan ik met mijn zere knie niet de hele tijd knielen”. Toen we aanstalten maakten om naar boven te gaan, werd er gebeld. Even later vloog Moes de kamer in, haar jas al half aan. “Lammie,” riep ze, uit haar doen, “ik moet meteen met tante Bep mee. Er is wat met de kleine. Vooruit, jongens, nu fijn gaan spelen en geen ruzie maken, hoor!”

Boven, in de sacristie, perste ik me met moeite in het zwarte kazuifel, het grootste dat erbij was. Lammie zag het wrevelig aan. “Gaan we een requiemmis opdragen?” zeverde hij bewolkt. “Ken je die liturgie dan?” Dies irae, dies illa”, brulde ik vol bravoure. Maar Lammie zag meteen dat ik mijn Latijn met één salvo had verschoten.

“Ik weet al wat we gaan doen,” riep hij opgewonden. “Jottem! Het wordt een kerkelijke uitvaart. Dan was jij een overleden pastoor, Schalks bijvoorbeeld, en ik de bisschop. Mijn mantel is al klaar. Hij ligt nog op de naaimachine, want Moes wil hem extra stevig doorstikken, maar als we voorzichtig doen, kan ik hem wel aan. De staf en de mijter heb ik al… Kijk maar, hier…”

“Jezus!” riep ik verontwaardigd. “Daar heb ik geen zin in, man! Dan mag jij wéér alles doen, de hele consecratie en zo, en moet ík stil op mijn rug blijven liggen…” Maar mijn tegenspraak maakte geen indruk. “Dat kán niet anders,” antwoordde monseigneur gedecideerd, “Jij was toch dood? Nou dan?! Maar je was wél pastoor. En trouwens: als je dood bent, hoef je ook niet te knielen.” Het werd me zwart voor de ogen, maar ik beheerste me.

Ik volgde Lammie naar de andere helft van de zolder, waar Moes haar atelier had. Mét de naaimachine. Een Singer, in godsvrucht afgetrapt. Lammie hulde zich in de onvoltooide bisschopsmantel en schreed afgemeten terug naar zijn kapel. “Ziezo”, sprak hij, zich de mijter op het hoofd plantend. “Als jij naast het altaar gaat liggen, dan kan ik het introïtus bidden. Ik aarzelde. “Vooruit, man, ga nou liggen…!” riep Lammie. “Je moet doen wat je bisschop je zegt. Altijd!”

Dat was de druppel die mijn graal deed overlopen. Met een gebrul dat de duiven deed opvliegen, stortte ik me op de kerkvorst, sloeg hem de mijter van zijn kop en rukte hem de zomen uit zijn mantel. Met de singel, het witte koord dat zijn albe uit het stof moest houden, bond ik hem aan handen en voeten bijeen, zoals ik cowboys op de films van Roy Rogers had zien doen. “Weet je wat jij bent?” hijgde ik. Een schijterige zeebeedee, ben je. Lammie Gods op Zolder. En als je nog één keer met me durft te spelen, steek ik je hele rotkerk in de brand!”

Zo heb ik hem achtergelaten, zeverend aan de voet van zijn altaar. “Heremetijd,” zei mijn moeder, “ben je nou al terug? En, heb je nog voor me gekeken? Naar de zigzag? En de wasmachine? Hoe zit het daarmee? Hebben ze bij Bolman al een wasmachine? -- Aan jou heb ik ook nooit wat! Kom je nou hier rondlummelen? Ik ben net de kamer aan het doen, dus doe me een lol en ga buiten spelen.”

Geluidloos trok ik de deur in het slot. Buiten maakte een zachte regen mijn tranen onzichtbaar. Een steentje voor me uitschoppend, slenterde ik langzaam in de richting van het Zaanenpark.

***