klompenspel
1969/70 Na de eerste Maagdenhuis processen viel er een gapend gat. Ineens was er niks te beleven. Voor Kees en Jasper lag dat anders. Zij hadden het druk met groei & bloei bij hun Lowland’s Weed Company. De hele boot stond vol potjes en bakjes en kasjes met hybride nederwiet/skunk variëteiten die, als de dames het goed deden, werden uitgezet in de buurt van Nijkerk, waar Kees vandaan kwam en waar hij bij zijn jeugdvrienden tussen de rog zijn gang mocht gaan.
Maar een simpele gevoelsagitator zoals ik was even uitgespeeld. Mijn dubbelgangerverhaal was, op dat ene stukkie van Cherry Duyns na, plat op zijn gezicht gevallen. Middendorp en consorten wilden het met geen tang aanpakken. Als zij er al wat van vonden, dan vonden zij het laf en achterbaks.
Zij wilden het proces niet opblazen, integendeel. Als brave en oppassende jongens en meisjes gebruikten zij hun day in court om de Macht van aangezicht tot aangezicht te vertellen dat zij beslist niet op revolutie uit waren, hemeltjelief nee, maar dat het in ons mooie landje toch echt anders moest, want dat het zo toch niet verder kon aangezien wij immers met zijn allen… Afijn, zij zijn later met zijn allen goed terecht gekomen.
Ik kortte de tijd met het vertalen van Time Life boeken over wereldsteden die ik nooit zou bezoeken en bezocht kroegen waarover ik nooit zal verhalen. Het aasje wind dat mij de Sargasso Zee der verveling uitblies, werd aangeblazen door Ruud Kater, een ouderejaars biologie die thuis, in Haarlem, onderzoek “aan wolven” deed, in welk verband hij regelmatig in de ziektewet liep.
Ook binnen was hij dikwijls de gebeten hond. Hij was gehuwd met een nog weer wat oudere vrouw – Ada heette ze, meen ik– die graag zag dat haar Ruud er warmpjes bij kwam zitten, in de serre, als hij zich weer eens het roedel in of uit had gevochten. Maar hoewel Ruud vaak schichtig deed – “ik moet nu heus naar huis, hoor: Ada” – was hij bij vlagen geheel in de ban van Kees en de boot en al het exotische volk dat daar kwam.
De lezer die nu op het puntje van zijn stoel zit om te vernemen hoe Ruud Kater zijn roedel wolven in het Amsterdamse gemeentehuis losliet, of in de Tweede Kamer, moet ik helaas teleurstellen. Ik heb mij er sterk voor gemaakt, maar Kater was een serieus doctorandus die veel van zijn dieren hield en die Juda Morales, mijn alter ego, altijd al voor gek hield. (En geef hem eens ongelijk.) Dit is wat er wel gebeurde.
Op een gegeven moment in 1969 – ik meen dat het samenhing met de komst van de eerste (in Duitsland gebouwde) Leopard tanks voor het Nederlandse leger– wordt de sabotage van militair materieel een “issue”. Ruud Kater vertelt op de boot en vervolgens ook elders dat er in zijn tijd al regelmatig voertuigen onklaar werden gemaakt door suiker of zand in de brandstoftanks te gooien– een oud verhaal dat het altijd weer doet. De media duiken erop en Ruud Kater staat tot zijn eigen verbazing en Ada’s ongenoegen plotseling bekend als “sabotagedeskundige”, wat weer eens wat anders is dan dat gezooi met die wolfjes.
Kees ziet mooie mogelijkheden voor een nieuw spelletje in en met de publiciteit. Alle verloven zijn ingetrokken. Op de boot zetten wij met gezwinde spoed een plan de sabotage in elkaar. Wij regelen een ruimte, on the never never, in de ooit katholieke studentensoos Akhnaton, aan de Oudezijds Achterburgwal, en doen stad & provincie weten dat de van radio & tv bekende saboteur, activist en wolventemmer Ruud Kater er voortaan iedere week een openbare sabotageles zal geven. Vrouwen en kinderen van harte welkom. Leerzaam!!!
Op de avond dat dit persbericht uitgaat, geeft Kater een proefles, voor eigen publiek. Maar goed ook, want het is een hangen, een wurgen, een zweten. Als wij Katers gehakkel uit de zaal met opbouwende kreten beantwoorden, blaft de doctorandus, geagiteerd maar al half en half opgelucht, dat hij het verder verdomt, als het zo moet. Op het nippertje kan Kees voorkomen dat Ruud de hele sabotage afblaast en zich bij Ada en de wolven terugtrekt.
Dat moet dus anders. Kees geeft de aankomend leraar privéles “lullen in de openbare ruimte”, terwijl een knip- en scheurploeg links en vooral rechts foto’s van tanks verzamelt. De pacifistische echtgenote van iemand die destijds voor zijn nummer nog huzaar van Boreel is geweest, doneert een hutkoffer blauwdrukken en modellen. Van de Centurion, de tank die door het nieuwe moffenmonster wordt vervangen, maar wie het verschil ziet, die deugt niet.
Dankzij de multimediale rugdekking – wij hebben een brullende geluidsband van een eskadron startende tanks - wordt Katers allereerste openbare les een triomf. In het zaaltje van Akhnaton luistert een vijftigtal belangstellenden, voor het merendeel usual suspects, hippiemoedertjes en antiautoritair grut dat alvast van alles sloopt, ademloos mee als Kater met zijn toch wat monotone kakstem op het kazerneterrein naar zo’n tank sluipt, de dop van de brandstoftank losdraait, de plastic zak met suiker (“nee! geen papieren zak, die kraakt teveel; jazeker, bruine basterd kan ook”) erin leegstort en de dop dan weer vastdschroeft. “Eerst goed afvegen, want die lui van de marechaussee nemen vingerafdrukken.”
Achterin het zaaltje, bij de uitgang, wil een jongmensch van de media weten op wat voor een brandstof zo’n Leopard eigenlijk loopt, diesel of benzine? Hoewel de bloemetjesmoeders verstoord sissen, wil hij graag een duidelijk antwoord,“voor mijn stukkie.” Even houden wij ons hart vast. Weet Ruud dat? En hoe! “De Leopard is uitgerust met een zogeheten Multi Fuel Engine,” antwoordt hij vlot, of hij hem in de showroom staat te verkopen. “Van huis uit is dat een diesel, maar hij draait op van alles en nog wat…” Hij laat een stilte vallen. “…Zolang er tenminste geen suiker in zit”
Een mooi moment. Even is Ruud de dominante reu, de baas van het vrolijkste roedel ter wereld. Het jongmensch bloost, knikt en schrijft zich een kramp. Maar op dit hoogtepunt volgt een pijlsnelle val. Ruuds eigen motor begint te stotteren. Stuurloos flitst zijn blik in het rond. Hij rotzooit wat in zijn papieren, maar er komt niets meer, de tank is leeg… Kees redt hem door een pauze aan te kondigen, waarin wij met zijn allen kunnen debatteren over wat wij hebben gehoord. Zo wordt het nog heel gezellig en heeft ook de koffiestudente van Akhnaton geen klagen. “Eén of twee klontjes?”
-
Tijdens de evaluatie, op de boot, is er een felle bloemetjesmoeder die vindt dat we niet moeten lullen, maar iets moeten dóen. Zoals? Zij wil dat wij brand gaan stichten in de Bijenkorf, een smerige NAVO-winkel waar allemaal Amerikaans oorlogsspeelgoed wordt verkocht. Het is al dik een jaar geleden dat die jongen Baader, Andreas heette hij of Anders of zo, dat grote Berlijnse warenhuis in de hens heeft gezet. Binnenkort komt hij voor de rechter, en waar blijven wij?
Wij blijven geweldloos, zegt Kees. Wij gooien geen bommen naar trouwende prinsessen, maar mooie witte kippen die in een beetje leuke stad trouwens los rond mogen lopen, net als de gekken. Wij steken niks in de fik, nu ja misschien doet Morales dat wel eens, maar alleen als hij buitengewoon dronken is. Wat wij de volgende week op sabotageles gaan doen, vertelt hij, dat wordt weer dik lachen. Wacht maar af! Doordat ik tussen de bedrijven door de vertaling van mijn boek moet afronden, is Katers tweede sabotageles ook voor mij een verrassing.
Ruud begint met een samenvatting van les 1, want er is, ook al dankzij het jongmensch, dat alweer druk staat te schrijven, veel nieuw volk naar Akhnaton gelokt. De sabotageleider is al een minuut of vijf aan het woord als achterin de zaal, bij de ingang, enige commotie ontstaat. Twee officieren in uniform, een groene en grijsblauwe, banen zich een weg naar voren. Die van de luchtmacht is een vreemde voor me, maar in zijn vakbroeder van het landleger herken ik meteen als Jan van lange Anneke, met welke laatste ik het nu en dan ook doe, meestal na feestjes. Zij zien er piekfijn uit: petten, koppels, schoenen, allemaal (net) echt. Ze dragen glacés, ondanks het weer, en Jan is er zelfs speciaal voor naar de kapper geweest, vertelt Anneke me later.
Zij aan zij komen de militairen militairement door het middenpad naar voren, begeleid door verbaasde kreten en giftig, haast Arabisch gesis uit de dameskuil. Dat duurt niet lang, want Kater reikt de heren een hand, helpt hen het podium op, en stelt hen voor als de luitenants O. en O., die hier zijn om van hun solidariteit te doen blijken. Nee, hun namen geven zij niet voluit prijs. Zij willen wel kwijt bij welk wapen zij dienen, maar niet bij welk onderdeel. In ieder geval voert O. bij de huzaren het bevel over een eenheid lichte tanks. Beide heren, schoolvrienden, hebben tot hun leedwezen geconstateerd dat de NAVO zich mentaal en materieel voorbereidt op een gigantische offensieve tankslag met de Rus, en zij achten sabotage gerechtvaardigd om Armageddon te voorkomen.
Applaus. O. en O. brengen de zaal stram saluut, maken rechtsomkeert en proppen zich buiten weer in het kevertje van de lawaaipapegaai B. dat met draaiende motor voor de deur heeft staan wachten en meteen wegscheurt. Natuurlijk trekken het jongmensch en zijn soortgenoten de authenticiteit van de solidaire luitenants in twijfel, maar dat vermag de pret niet de kop in te drukken. Verraden door de “sterren” van Provo, voor niks niemandal suf geluld door de bezetters van het Maagdenhuis, heeft de mallotige rafelrand van Amsterdam weer even een plek waar iedereen zijn ei kwijt kan, ook al bevat het louter wind.
-
Met het verrassingsoffensief van de luitenants O. en O. wordt dan ook geen storm geoogst. Kater tracht het fenomeen suikersabotage verder te raffineren (“denk eraan: als het sneeuwt, is poedersuiker bijna onzichtbaar”) maar na het eerste de beste “boe” uit de zaal trekt hij zich opgelucht terug bij Ada en de welpen, waar de hiërarchie intussen danig ontregeld is door al die malligheid.
Anderen, velen, nu eens de een, dan weer de ander, trachten het gat te vullen. Hoewel de “sabotagelessen” zo blijven heten, keert men terug tot het oeroude patroon van een min of meer politieke voordracht met aansluitend kringgesprekken, in rotjes van vier, die via veel via’s uitmonden in geheime stemmingen en kongsi’s en geschreeuw over en weer.
Ik heb al besloten dat ik er genoeg van heb, als mijn nieuwe dame niet komt opdagen, zodat ik, met mijn gewonde ziel onder de arm, toch maar even bij Akhnaton aanloop. Hola, wie hebben wij daar? Niemand anders dan de Haagse tuinkabouter van Bakoenin, een man die te boek staat als de ideoloog van Provo omdat hij achter zijn bureau bleef zitten toen anderen aan het spelen waren.
Bij Van Duijn, mijn persoon en een toverheksje dat niet kan kiezen tussen torah en tarot, schuift nu ook een wat nerveuze Indische jongen van een jaar of twintig aan. Het duurt even, want hij torst een joekel van een gele tas vol A-4tjes. Wat die behelzen? Niets minder dan een tot in de details uitgewerkte masterplan voor de anarchistische economie met een eigen munt en zonder winstoogmerk. Ik kan een geeuw niet onderdrukken, maar Roel zijn wakkere oogjes glimmen.
Wij sturen de heks het bos in en zetten de conferentie voort bij mij thuis, op Kattenburg, want dan hoef ik niet moederziel en zonder dame alleen door te hijsen. Rudy, zoals de jongen heet, heeft aan alles gedacht. Mensen (geen lidwoord!) gaan de voortbrengselen van hun eigen creativiteit vrijelijk en zonder winstbejag met elkaar ruilen, hoor ik hem uitleggen. “Ja,” kraait Roel enthousiast maar beschaafd, “en als het in Amsterdam eenmaal op poten staat, dan waaieren we over het hele land uit. En dan krijgen we een nieuwe regering en een nieuw volkslied… “
De dageraad gloorde. En ik geeuwde. Roel en Rudy begrepen de hint en verdwenen met hun plannen voor de Oranje Vrijstaat, die enige tijd later, op 5 februari 1970, door Van Duijn werd afgekondigd en dus een absolute afgang werd. Een kopie van hetzelfde en daar weer een mislukt afgietsel van, alleen veel slechter. Amsterdam moest er niks van hebben, van dat oranje. De stad bleef wit, niet langer van Provo, maar van de heroïne die door een verse lichting Hongkong Chinezen gratis werd rondgedeeld, om eens te proberen.
Behold a pale horse.
---
