Kim Chi (3 en slot)
Voorjaar 1978. Ik werk bij De Gooi- & Eemlander, als chef van de driekoppige buitenlandredactie, míjn kop voorop. De krant wordt in Hilversum gemaakt en is marktleider in de regio, bij de gratie van dikke wisselkaternen voor regionaal en plaatselijk (sport)nieuws.
Maar het is pompen of verzuipen, want “De Gooi” slaat niet aan bij nieuwkomers uit de grote stad, mensen die de Volkskrant of de NRC blijven lezen en het ‘sufferdje’ missen als kiespijn.
Van het ANP heb ik een fraai getuigschrift meegekregen en ik ben in Hilversum met grote gretigheid binnengehaald. Hoewel ik nog steeds aan mezelf twijfel, als mens en als journalist, wekt dit bij mij, de immer wantrouwende, geen argwaan.
Zelfs niet als de hoofdredactie mij in het afrondende gesprek langs de neus weg meedeelt dat een van de redacteuren die ik ga ‘aansturen’ de brutaliteit heeft gehad te solliciteren naar de baan die thans zo goed als de mijne is.
Deze Marien wordt mij beschreven als een non-valeur, liever lui dan moe, die alleen na veel dreunen en platslaan af een toe een harde keutel produceert. De hoofdredactie zal mij zonder voorbehoud steunen, mocht ik de improductieve dwarsligger na mijn inwerkperiode voor ontslag voordragen.
Maar, hé, het blijft míjn beslissing. Want de chef, dat ben ik. Chef? ‘Meewerkend voorman cum pispaal’ dekt de lading beter. Past helaas niet op mijn kaartje.
Marien valt niet mee. Gesloten, dwars en lui. Zijn “wijk” omvat hoofdzakelijk totalitair geregeerde landen: de Sovjet-Unie, Zuidoost Azië, Cuba en wat kleiner spul. Hij is vaak weg. Naar de Utrechtse universiteitsbibliotheek om “bronnenonderzoek” te doen. Het moet messcherpe analyses en briljante stukken opleveren, maar er komt van alles tussen. Diep in de archieven speurt hij. Dus als ik bel kan men hem nooit vinden.
Over het Cambodja van de Rode Khmer – Marien wenst het land Kampuchea te noemen, maar dat verbied ik hem - beginnen berichten binnen te sijpelen die doen vermoeden dat daar door Pol Pot en de zijnen inderdaad iets groots en vreselijks is verricht.
Khmeraad Marien verwijst de eerste verhalen over killing fields naar fabeltjesland. Primaire bron is immers een jezuïetenpater die uiteraard door het revolutionaire bewind wordt tegengewerkt, afijn dan weet ik het wel. Logisch dat zo’n zwartrok erop los liegt.
Maybe . Toch gaat het AP-bericht erover als “eenkolommer” mee. Destijds heb ik zelf de ooggetuigenverslagen over de ontvolking van Phnom Penh vertaald. Die spookachtige, onheilspellende uittocht naar het platteland. Stervende mensen in ziekenhuisbedden, gewonden op krukken en oude omaatjes in hun rolstoel of op de rug bij een zoon of een dochter. Kindertjes die onderweg lopen leerden.
Sindsdien zit het land Potdicht, zodat berichten over genocide door de gevestigde media terzijde worden geschoven tot ze door professionals, echte journalisten uit de echte wereld, “hard” zijn gemaakt. Diep in mijn verraderlijke hart verfoei ik zulke “objectieve maatstaven”, maar ik heb ze destijds bij AP als de mijne aangenomen.
Als ik die vrijdagochtend de D-trein naar Parijs pak, denk ik echter aan andere dingen: een lekker lang weekend bij mijn beste vriend, Ken, en zijn Christine, die in haar kleine pantry, amper anderhalve meter in het vierkant, de sterren van de hemel kookt. Dat wordt weer lekker lang ouwehoeren en beschaafd dronken worden van de geheime crus die Ken in heel Frankrijk weet op te sporen.
Hij freelancet een paar dagen per week voor diverse Amerikaanse publicaties, Ken, maar is eigenlijk weer in Parijs gaan wonen om ook daar research te doen voor wat jaren later zijn boek Embattled Selves* zal worden: de ik-verhalen van joden, ook Nederlanders, die de Endlösung konden ontkomen doordat zij hun ‘zelf’ totaal verloochenden. Door in de huid van een goj te kruipen. Door met de beul te heulen, desnoods beul te wórden.
Kortom, weer iets heel anders dan Cambodja.
Christine heeft de volgende dag, zaterdag, rond het middaguur een afspraak, zodat Ken en ik besluiten met zijn tweeën buiten de deur te lunchen. We spelen het smaakmakende vraag- en antwoordspel – welke keuken, waar en bij wie - als ik boven Kens hoofd een lichtje zie opgaan.
“Weet je wat we doen? We gaan naar de Koreaan! Sinds Den Haag, bij jou, bij Kim Chi Palace, heb ik geen Koreaans gegeten. Ja, Kim Chi, daar heb ik nou net zin in.”
Het aanbod blijkt ruim maar ruimtelijk beperkt. Een zijstraat van de Champs Elysées mag aanspraak maken op de naam Petit Corée. Een aantal banken, de Zuidkoreaanse handelsmissie, snuisterijen, en een heleboel restaurants. Maar de grote zijn nog leeg en we hebben op dit uur van de dag nog geen zin in pluche.
Maar behoorlijk zitten willen we wel, niet op een kruk aan een counter, zodat het andere uiterste eveneens afvalt. Zo komen we, links en rechts naar binnen loerend, bij een kleine zaak, strak en “modern”, met zwarte en witte vlakken, beetje op art, waar sommige Parijzenaars mee dwepen, zeker degenen die la France profonde pas kortgeleden voor de lichtstad hebben verwisseld.
De tafels zijn ruim en de witte clubjes lonken. Doen dus. Achterin de zaak biedt een groepje salarymen in Aziatisch blauw grommend en smakkend het hoofd aan dampende schotels. Wij betrekken een voorpost bij het raam. Terzijde van de eetzaal, links, buiten ons zichtveld, bevindt zich de bar.
Wij pakken de kaart en ons gevoel hier een thuiswedstrijd te spelen, wordt meteen de bodem ingeslagen. Wij lezen geen teken Koreaans en ook de uiterst oorspronkelijke Franse vertaling biedt geen houvast. Geen nood, daar is onze gastheer.
Het is een jongeman van pakweg 25, lang voor een Aziaat en, vind ik, nogal donker voor een Koreaan. Zijn Frans is uitstekend. Nu wij onze nostalgie geen naam kunnen geven– behoudens Kim Chi wil er ons geen gerecht te binnen schieten - proberen wij de ingrediënten en de smaak te beschrijven. Het wil niet best lukken.
De kelner maakt aantekeningen, velletjes vol, en verontschuldigt zich. “Ik ga het even in de keuken vragen”. Prima idee. Maar kan hij ons als appetizer vast wat Kim Chi brengen?
Du Qu..iem Si, vous dites? Je vais me renseigner! En weg is hij. En blijft hij. Wij wachten een kwartiertje, dan stapt Ken naar de bar en ik hoor hem zeggen: Kim Chi? Ik kijk even om de hoek en ik zie dat hij het genoegen heeft met iemand die zichtbaar hoger in rang is. Klein, lichtgeel, geblokt, iemand, derhalve, die in Ronteltaps Thesaurus van Vreemde Landen & Volkeren als “typisch Koreaans type” is afgebeeld.
“De Kim Chi is onderweg”, meldt Ken. “Wel vreemd hoor, dat je in een Koreaans eethuis wordt bediend door iemand die het nationale gerecht niet kent.” Daar is de kelner weer. “Voilà, messieurs, enfin du..uh…Q’ong Si.”
Dan vraagt Ken hem, belangstellend, vriendelijk, zonder een spoor van spot of sarcasme: “Komt u misschien uit een streek in Korea, waar Kim Chi niet wordt gegeten, onbekend is?”
De jongen barst in tranen uit. Bijna geluidloos. Wij zien hem huilen en wankelen, zwaaiend op zijn benen. Ken zit aan de andere kant van de tafel, dus ik ben de eerste die iets moet doen. Ik pak de kelner bij zijn schouders en hij keert zich om. Hij kijkt mij niet aan, blind van tranen.
Ik onderneem enige lichte bekloppingen. Hij zakt tegen mij aan en tot mijn eeuwige schande probeer ik hem, zachtjes, niet ruw, maar toch, van mij af te duwen. Zo zetten wij enige tangopassen, wat heel merkwaardig aanvoelt in een Koreaanse setting. Ik ruik zijn lucht en ik voel zijn botten, licht en poreus. Wat is dit? Ik dans hier met een wenende zwarte vogel!
Dan neemt Ken hem gelukkig van mij over. Hij zet hem in een clubje en aait hem over zijn hoofd. Wat is hij jong! Ook wij strijken neer, waarbij de Kim Chi net niet omdondert. Dan vertelt hij. Geen Koreaan is hij, maar Cambodjaan. Hij werkt hier pas een paar dagen, vandaag voor het eerst in de bediening en nu dit…
Na de val van Phnom Penh is hij zijn land ontvlucht, samen met een oom, die vorig jaar is overleden, hier in Parijs. Père Lachaise. Vanmorgen, een uur voor hij moest beginnen, had hij bericht gekregen, via een van de Cambodjaanse organisaties, dat zijn hele familie door de Rode Khmer is uitgemoord. Ooms en tantes. Neven, nichten en achternichten. Allemaal. Ils les ont tués, messieurs, tous tués.”
Marien zou het natrekken, beloofde hij.
---
