More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Kim Chi (2)

Enkele weken later stuitte ik bij mijn thuiskomst op vier joekels van dozen die namens de heer Park (en nog wat) door een bode in de hal waren gezet. Ik zeulde ze zelf de trap op.

Meer dan dertig boeken, herinner ik me, het verzamelde (maar nog niet voltooide) werk van Kim Il Sung. Gebonden in legergroen Juchekarton en gedrukt op dun papier dat elke vingerafdruk van de lezer getrouw vastlegde in de uitvloeiende drukinkt. Dat gingen we maar eens even fijn lezen, allemaal:

Over Doeltreffend Gebruik van Artillerievuur in Bergachtig Terrein
Over het Moederschap in het Leven van de Koreaanse Vrouw
Over de door Koreaanse Verpleegsters immer te Betrachten Hygiëne

En nog duizenden andere bevelen, opwekkingen, vermaningen, beschouwingen en richtlijnen die namens de wellicht wat megalomane auteur waren opgeschreven door anonieme inktkoelies zoals ik, met het verschil dat zíj zich aan de Heilstaat wijdden, terwijl ik mijn magere talent de hoer liet spelen in een bordeel van het imperialistische grootkapitaal.

Maar een recept voor Kim Chi zat er niet bij.

Andermaal werd ik op mijn wenken bediend door het Toeval, het mooiere maar licht debiele zusje van het Lot. Op een wit geverfde winkelruit aan de Laan van Meerdervoort, pal om de hoek, las ik dat daar binnenkort het Koreaanse restaurant Kim Chi Palace zijn deuren zou openen.

En in een flits voorzag ik, met onherroepelijke zekerheid, dat de Grote Droogte een einde zou nemen, dan en daar.

Een week of wat later stapte ik er binnen, kwart over vijf in de namiddag. Ik had al een kaartje op zak voor de eerste avondvoorstelling in theater Metropole, schuin tegenover het restaurant. Tijd genoeg, dus. Op mijn gemak eten, niet zo schrokkerig als bij de Chinees en niet zo achterlijk véél, geen belletjeswater maar thee erbij, dan was ik niet zo opgeblazen en nog steeds keurig op tijd voor de Rocky Balboa Horror Show.

Ik had buiten de waard gerekend.

Mijn gastheer, een vijftiger die de jongere broer van van Syngman Rhee had kunnen spelen, ging me voor naar een royale, met wit damast gedekte tafel. De mooie wijnglazen fonkelden en het lederen clubje verwelkomde mij als een oude bekende. De heer Moon Jung Il (las ik) legde de in juchten gebonden aperitiefkaart bij me neer en verzwond.

Het was een ruime zaak. En alle andere tafels waren leeg. Alleen aan de bar zaten twee Aziatische heren zacht te praten. Interessante kaart. Met drie grote champagnes en twee Koreaanse aperitieven waarvan ik uiteraard nooit had gehoord. Jammer dat ik niet dronk.

Wat voor bier zouden ze tappen? Toe maar: Grolsch én de echte Urquell uit Pilsen. Bovendien een dozijn andere grote namen op de fles. Jammer dat ik… “What may I bring you from the bar, Sir?”

“Uh… what about a large bottle of Evian, or Perrier?” Het gezicht van de heer Moon bewolkte, licht maar onmiskenbaar. Ho even, makker, dit kun je de man niet aandoen. Net een paar dagen open, hoge investeringen gedaan, amper volk - kómt er eindelijk een klant binnen, is het zo’n benepen Hollandse waterdrinker… dit alles in tienden van seconden. ”No” riep ik beslist. De mannen aan de bar keken op. “No more water! Today is not a water day! Why don’t you bring me a large Urquell, thank you very much.”

Zo eindigde de langste droogteperiode in mijn leven als alcoholicus.

Rocky verschoof naar de toekomst, want ook de tweede voorstelling was al een eind op streek toen het hoofdgerecht werd geserveerd. Dat kwam, vertelde Moon - met wie ik, als empathisch medemens, snel een interculturele relatie opbouwde – doordat zijn witte brigade nog niet op volle sterkte was, zodat hij voor de fijnere culinaire kneepjes af en toe zelf de keuken in moest.

Daar zat ik helemaal niet mee. Mijn verblijf in de woestijn – lang geleden leek het al – bleek namelijk tot gevolg te hebben dat ik in het vervolg helemaal niet meer dronken zou worden.

Ik zag de dingen helderder dan ooit tevoren en bovendien kon ik van alles door elkaar drinken – bier, een mooie Meursault, een pittige Gicondas, een schitterende jonge Armagnac en, tegen de opkomende dorst, weer bier en meer bier – zonder wartaal uit te slaan, of ruzie te krijgen, of op de plee bewusteloos te geraken, mijn broek op de hielen, of écht gênante vertoningen aan te richten.

De avond was vervuld van vrede en vriendschap tussen de volkeren, met name die tussen Nederland en Korea, dat wil zeggen Zuid-Korea, want met die krankzinnigen in Pjongjang zou het nu weldra afgelopen zijn. “Jazeker,” benadrukte Moon, “Ze kunnen geen kant meer op, de Kims. Wij hebben de bom en mogen hem van Washington gebruiken óók.”

Voilà, was dát geen aardige primeur voor een bevriend journalist van het ANP?

Beslist, ik ging er morgen meteen achteraan. Maar vertel eens, meneer Moon, hoe zat het nu precies met die Kim Chi? Aan tafel had ik heel verschillende schoteltjes geproefd die allemaal als Kim Chi op de kaart stonden. Wat wás Kim Chi: een gerecht, een marinade, wat?

Kim Chi bleek van alles en nog wat te kunnen zijn: kool, wortelen en andere groenten, op diverse manieren ingemaakt: zuur, zoetzuur, heet en zoutig of juist zacht en zoetig. Wacht, dan liep hij naar de keuken om nog een paar voorbeelden…

Zo werd Kim Chi Palace “mijn” restaurant. Eigenlijk was het er te duur voor een simpele broodschrijver, maar omdat ik een launching customer was en regelmatig nieuwe klanten meebracht, liet Moon mij discreet van een aantrekkelijk rabat profiteren.

Als tegenprestatie matigde ik mij er een beetje met de drank. Daar wel.

Het duurde even voor men ter redactie doorkreeg dat ik uit een ander vaatje was gaan tappen. Kenden ze me tot dusver als plooibare woestijnbewoner, nu was ik nooit meer bereid nachtdiensten over te nemen, probeerde ik vroege en late diensten zélf te lozen en schold ik collega’s de huid vol wanneer dat niet lukte.

Hoewel de natte moesson mij nog niet fysiek tekende, bleef ik mijn violent mood swings niet altijd meer de baas. Hanneke, een weduwe van 45+ die in eer en deugd het Verenigd Koninkrijk bestierde, reageerde nog met een lacherig “ben je nu helemaal …” toen ik haar om een futiliteit voor trollop uitmaakte, maar anderen deden hun beklag bij Emile.

Op een avond, na een lange nazit bij Kim Chi Palace, besloot ik “even” bij de redactie langs te lopen om de oude Bronnekrop, die de nachtdienst had, te vragen wat de OR die dag over de schrijfmachines had besloten.

Wij werkten met IBM bolletjesmachines van het eerste type, die met de vrouwelijke, wellustige rondingen. Echt een feest om daar elke dag op te mogen rossen. De dames naderden nu echter het eind van hun economische life cycle (ze konden dus nog jaren mee) en zouden binnenkort vervangen worden door machines van het type twee. Deze huisvestten dezelfde techniek in een afzichtelijke vierkante bak die, plomp en zwaar, teveel plaats innam op onze kleine bureaus. We hadden de zaak bij de OR op tafel gelegd en nu wilde ik dus…

“Kom jij doen?” informeerde de oude Bronnekrop. “Volgens mij heb je gezopen.” Nu ontspon zich een woordenwisseling waarin Bronnekrop mij meedeelde dat de OR voor de nieuwe machine had gekozen, dat het mij trouwens geen moer aanging, dat hij het druk had en dat ik beter kon oplazeren… Zoiets, ik weet het niet precies.

Wel staat vast dat ik die mooie machine van mij vervolgens door de ruiten heb gegooid, waar zij op de binnenplaats uiteenspatte. Was sich liebt das nekt sich.

Emile zorgde ervoor dat het allemaal met een sisser afliep. Hij bleef mij waarderen om mijn werk, maar ik was niet meer welkom bij hem thuis en zijn vriendschap had ik voorgoed verspeeld.

(wordt vervolgd)