More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied

Kennemer Duinen

voor Charles Engelen  


Als het écht uit de hand liep – soms zat het bloed aan de muren - nam mijn moeder de wijk naar oom Jan, haar broer, en tante Wil. Tien minuten lopen. Reuze handig, want na een paar dagen kwam ze steevast weer terug. Niet met hangende pootjes, maar fier en ongebroken. Een Vrouw die na zware Beproevingen en Leed in haar rechten was hersteld.

 

Wammes! Het vluchtkoffertje de gangkast in (of ze het ooit uitpakte, ik vraag het me af). Naar de keuken (rinkelend vaatwerk) om daar voor man en muizen een simpel maar onsmakelijk maal te bereiden. Mijn vader floot dan een mopje gregoriaans en meed mijn verwijtende blik.


Ditmaal snapte ik er niks meer van. Hij had het me toch op erewoord beloofd? Weg was ditmaal weg. Voorgoed. Opgeruimd stond netjes en alles zou anders worden. Zeker voor mij. Hij bleef gewoon op kantoor, centjes verdienen. Ik hoefde niet naar school en zou het huishouden doen.

 

Gisteren, dag drie van het moederloze tijdperk, had ik de ramen gelapt, de matten geklopt en mijn heer, vader en gebieder bij diens thuiskomst een kloeke uitsmijter voorgezet, een ‘mis met drie heren’. Maar nu, achter haar glazige piepers en andijvie met snot, beweerde de trouweloze doodleuk dat hij in tijden niet zo lekker had gegeten.

 

‘Heerlijk, moeder. Alle lof, hoor! Zalig! Nu heb ik wel trek in een lekker toetje toe, eentje van het bekende recept. Dat wordt dus straks bijtijds de lappenmand in!’ Ze beantwoordde zijn knipoog met een complex lachje waarin triomf en minachting om de voorrang streden. Maar er was nóg iets, iets dat ik niet kon peilen. Iets dat me narrig en treurig stemde.

 

*


Dat kinderen voor de geboorte in de buik van hun moeder zaten, was me bekend. Dat ze daaruit vervolgens met enig geweld werden verlost (een term die me de enig juiste leek) wist ik uit dezelfde bron: een in de linnenkast verstopte - dus makkelijk te vinden – catalogus ten behoeve van artsen en vroedvrouwen, in 1871 of daaromtrent uit het Hoogduitsch vertaald en verlucht met talloze gravures: tangen, klemmen en veelvoudig verstelbare ‘kraambedden’.

 

Maar al maakte het plaatwerk me vertrouwd met de term 'tangverlossing’, het verlossende begrip bleef uit. Na ruggespraak met Eddie Beerman en andere jongens, die wel bereid waren de vijandelijkheden voor kwesties van leven en dood op te schorten, en die me na de beraadslagingen als eerlijke Indianen vrije aftocht boden, hield ik het maanden achtereen op de navel.

 

Tot het geschiedenisboek van een neef me met een plaat voorstellende ‘de geboorte van Pallas Athena’ weer zwaar aan het twijfelen bracht. Godverju! Ik zou toch niet uit haar hoofd…

 

*


De onzekerheid werd acuut toen ik op een zondagmiddag, even aan het gezinsverband ontsnapt, in de Haarlemmerhout werd aangesproken door het soort jongen dat in mijn leesboekjes, die nog van voor de oorlog waren, als ‘jongmensch’ werd aangeduid. Hij plantte zich wijdbeens op het pad en belette me de doortocht.

 

‘Wedje?’ sprak hij uitdagend maar niet vijandig. ‘Ik weet zeker dat zo’n kakgozertje als jij niet eens weet waar of dat de kinderen vandaan komen’. Zonder op antwoord te wachten, stak hij van wal, naarmate hij vorderde steeds gejaagder sprekend.

 

‘Goed luisteren,’ siste hij, waakzaam om zich heen loerend. ‘Een man, hè, en een vrouw, hè, die gaan ‘s zondags na het eten wandelen in de Kennemer Duinen. Dan duiken ze een duinpan in, hè, en dan gaan ze leggen. Dan haalt hij zijn Ome Jan uit zijn broek en stopt hem in haar Tante Marie en dan hoppeta zeit Willem. Hèhè.’

 

De jongen keek me aan met de trotse blik van iemand die zojuist een ijzersterk verhaal heeft verteld. Toen ik niet meteen reageerde, maakte hij met duim en wijsvinger een ring en liet de wijsvinger van z’n andere hand in het gat op en neer dansen.‘Ome Jan, Tante Marie, hèhè! Negen maanden later komt het kind.’

 

‘Tante Wil,’ zei ik, want ik heb altijd wat te mekkeren. ‘Niet tante Marie, maar tante Wil’. De jongen gaf me een harde stoot tegen de borst. ‘Ach, sodemieter toch op, stomme brillenjood.’ En hij vervolgde zijn weg. ‘Maar hoe komt het er dan uit?’ riep ik hem na, met een jankerige uithaal. Hij antwoordde niet, maar draaide zich soepeltjes op de hakken om en wees, achteruitlopend, op zijn voorhoofd.

 

*


Oom Jan was een slungelige, hondachtige man, iemand van wie mijn vader altijd zei dat er geen kwaad bij zat. (Alleen al dat superieure rottoontje komt de katholiek op zoveel branduren te staan, dat wij elkander, mocht het allemaal, tegen alle schijn in, alsnog waar blijken te wezen, eerder in De Warmte dan in Het Licht zullen weerzien).

 

Het was overigens niet aan oom Jan,  maar aan zijn echtgenote te  danken dat hun benepen arbeiderswoning in Haarlem-Noord een Zoete Inval was geworden voor allerlei religieuze dwaallichten en lui met andere problemen. Tante Wil was een veenkoloniale stopnaald die tijdens een dienstje in Haarlem aan Oom Jan was blijv’n plakk’n. Het accent had ze aangehouden. Evenals haar jeugdvriendinnen, die blijkens de verhalen stuk voor stuk met verbijsterende rotzakken waren getrouwd.


Een ervan, ‘tante’ Hennie, behoorde tot de harde kern van logerende klaagvrouwen. Ze had alleen deel van leven zolang haar vent, een rondreizende scharensliep, de boer op was. Dat duurde een paar weken. Zat zijn ronde erop, dan dronk hij in de kroeg een kruik klare op gedane zaken en zigzagde vervolgens naar huis teneinde aldaar de gezagsverhoudingen te herstellen.

 

Iedereen - Hennie ook - noemde hem bij zijn achternaam. Vegelien. De naam sprak me aan. Zo had ik zelf wel willen heten. Vegelien. In gedachten zag ik een bruine schicht (een bunzing, een vos?) door laag kreupelhout schieten en een dom kakelend waggelhoen bespringen. Vegelien. Iedereen sprak schande van hem. En iedereen was bang voor hem. Want hij had een knipmes. Het scherpste mes van het noorden.

 

*


Die middag, na school, stuurde moeder me met de krultang naar tante Wil.  Ze hadden eender haar, dun en sloom, dat vaak de hoogovens in moest om vorm te behouden, zodat ik nogal eens wegens acuut krulverval moest uitrukken. Te voet.

 

De step was ik ontgroeid en de fiets mocht uitsluitend onder begeleiding worden bereden. Te voet, dwars door het jachtgebied van de jongens van het Zaanenpark, die mij als een prooidier beschouwden, of een heel eind om.

 

Ditmaal bleek het de moeite meer dan waard. Tante Wil deed open. Ze had vlekken in haar hals en sprak Grunniger dan ik het haar ooit had horen doen. ‘Vegelien,’ stamelde ze, ‘Vegelien is ‘kom’n.’ Er liep een rilling over mijn rug.


Hij was precies zoals ik me hem had voorgesteld. Gebruinde huid en een helm van zwart haar, achterover gekamd en met brillantine vastgeplakt. Voddejodenhaar zoals mijn vetvrij geknipte vader dat noemde. Smeulende, vuilgele ogen, een misprijzend lachje om de volle, opvallend rode lippen.

 

Vegelien. Soeverein en onaantastbaar stond hij daar, in het midden van de kamer. In een hoek, aan weerszijden over de beige crapaud heen bloemend, zat Tante Hennie te huilen. Maar waar ze anders fraaie trillers produceerde, was ze nu, op wat gesniffel na, als een muis zo stil. Vegelien was kom’n en had de wind er meteen weer onder.

 

Niet dat hij ook maar de minste aandacht aan haar besteedde. ‘Zo’, sprak hij me aan. ‘Dus jij bent die Rudi, de oudste jongen van Greet. Die ken ik wel, Greet. Een dondersteen, hoor!’ Hij lachte hees. ‘Wat heb je bij die, in de tas? Wat heeft ze je voor Vegelien meegegev’n? Diamant’n? Huppelwater?’


Zo vond tante Mart het welletjes. ‘Laat die jongen met rust’, zei ze met overslaande stem, maar wel resoluut. ‘Hij komt alleen maar de krultang brengen.’ Vegelien snoof en lachte. ‘Wass’n en watergolv’n. Gekrulde hoofd’n, gekrulde zinn’n.’ Het gesnotter in de hoek zwol aan tot een gejammer.

 

 ‘Niet jank’n!’ Vegeliens stem knalde als een zweepslag. ‘Vooruit, maak die mooi! Zó neem ik die nait met. Dan gaast ja maar Derde Klas naar hoes, in de veewag’n.’

 

Tante Mart knoopte haar vriendin een bonte handdoek om de vlekkerige hals. Ook het ijzer was nu heet zodat het onduleren een aanvang kon nemen. Vegelien opende de deur naar de keuken en wenkte me. ‘Hier blijven!’, sommeerde tante Mart. Mijn aarzeling ontlokte Vegelien een smalende lach. ‘Ja , jonge broek, blijf maar bij het vrouwvolk. Maar ik zeg je, pas op! Gepleisterde grav’n bent ze! Vol bederf en valsigheid!


In de woonkamer hing de branderige maar tegelijk weeë lucht van rond de tang gewonden vrouwenhaar. Vegelien en tante Hennie, begreep ik, zouden de volgende ochtend met de eerste sneltrein naar het hoge noorden terugkeren. ‘En Wil, ach lieve Willie,’ snotterde Hennie, die er bijhing als een soepkip met pijpenkrullen, ‘ik ben toch zo bang dat hij me nog eens wat aandoet. Hij kan zo gemeen schopp’n. En nu ik vijf maand’n heen ben, kan ik dat…’ ‘Sssjt,’siste tante Wil met de krultang mee, en tegen mij: ‘Ga jij maar eens buit’n spelen met die grote or’n van je.

 

*


Met tegenzin trok ik de voordeur achter me dicht. Buiten viel er natuurlijk niets te spelen en om een groepje landerig voetballende gastjes niet op een idee te brengen, liep ik een uitgebreid blokje om, met de doelgerichte tred van een jongen die men om een boodschap kan sturen.

 

Toen ik een tijdje later terugkwam, belde ik niet aan, maar liep ik achterom, meteen de keuken in. Daar stonden ze, ineengestrengeld, bijna klem tussen de keukentafel en het fornuis. Het haar van Hennie, die ik op de rug keek, zat muurvast in de krul. Ze snotterde nog een beetje, maar keek niet om. Vegeliens krachtige, bruine handen lagen ontspannen, op haar achterste.

 

Over haar schouder heen keek hij me aan met z'n roofdierogen en om zijn rode lippen speelde weer dat laatdunkende en toch treurige lachje. Met de duim en de wijsvinger van z'n ene hand vormde hij een gat waarin hij de andere wijsvinger snel op en neer bewoog. “Zo gaat dat Rudi, m'n jong'n. Ga nou maar vlug naar huis en doe vooral je moeder de groet'n."


Vegelien?” stotterde mijn moeder, “ik ken geen Vegelien. Nou ja, ik heb wel eens over hem gehoord, natuurlijk, maar kennen doe ik hem niet. En waarom heb je de tang bij tante Wil laten liggen? Ach, aan jou heb ik ook nooit wat.”


***