More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied
« homo's | Main | mama geeft jou zelf aan »
woensdag
21okt2009

alles maken 32

Jakob worstelt met bekenden en onbekenden

(1) De ochtend erop kuste en zegende Laban zijn kleinkinderen en zijn dochters. Vervolgens ging  het op huis aan.

Ook Jakob brak op. Plots verschenen er, vóór hem op de weg, gewapende figuren. Dat zijn  engelen, riep Jakob uit, soldaten van de Baas. Daarom spreken we over heerscharen. En in één moeite door doopte hij de plek waar hij de krijgers ontwaarde Machanaïm, een naam waarin hij de begrippen "leger”en “lager” op speelse wijze verbond.

 

4 Jakob stuurde nu boodschappers vooruit naar Seïr, het gebied van Edom,waar zijn broer Ezau woonde.  Jullie moeten, droeg hij hen op, tegen mijn heer, tegen Ezau, zeggen: Uw dienaar Jakob laat weten dat hij een hele tijd bij Laban heeft gewoond en pas onlangs bij hem is vertrokken.

 

6 Hij heeft zich er runderen, ezels,  schapen en geiten in eigendom verworven, alsmede de nodige slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn Heer, overbrengen in de hoop dat u hem welgezind bent.”

 

Toen de kwartiermakers bij Jakob terugkwamen, meldden zij: Wij zijn bij uw broer Ezau geweest, en hij rijdt u op dit eigenste moment tegemoet, aan het hoofd van vierhonderd man.

 

8 Jakob schrok hevig, het zweet brak hem uit. Hij talmde echter niet en verdeelde zijn mensen en zijn vee over twee aparte kampementen.

 

9 Als Ezau op het ene afkomt en dat helemaal uitmoordt, redeneerde hij, dan kunnen die uit het andere kamp misschien tijdig ontsnappen.

 

10 En hij bad: God van mijn voorvader Abraham, God van mijn vader Izaak, U, de Baas, die mij heeft opgedragen: Ga terug naar je land, naar je familie, ik zal je voorspoed schenken” – 11 ik ben al uw weldaden en de trouw die u aan mij, uw dienaar, bewezen hebt, niet waard. Met alleen mijn stok bij me ben ik indertijd hier de Jordaan overgestoken, en nu heb ik zoveel volk dat ik het over twee kampen verdelen moet.

 

12 Ik smeek u, red mij uit de handen van Ezau, mijn broer, ik vrees dat hij ons zal aanvallen en mij en iedereen zal doden, tot de kinderen en hun moeders toe. 13 U hebt immers zelf gezegd: Ik zal jou rijk maken en veel nakomelingen schenken. Dezen zullen talrijk zijn als zandkorrels aanhet strand. Niemand zal ze kunnen tellen.

 

14 Toen Jakob de volgende ochtend opstond, stelde hij uit het vee dat hij bezat een gift voor zijn broer Ezau samen:

 

15 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, 16 dertig zogende dameskamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. 17 Al die aparte kudden stelde hij onder het toezicht van een knecht, en hij gaf alle knechten opdracht om voor hem uit te trekken en tussen de verschillende kudden een ruime afstand te laten.

18 Tegen de eerste knecht zei hij: ‘Als je mijn broer Ezau ontmoet en hij vraagt je bij wie je hoort en waar je heen gaat, en van wie de beesten zijn die je daar voor je uit drijft,

 

19 zeg dan: Ik hoor bij uw dienaar Jakob, en dit is een geschenk dat bestemd is voor zijn Heer, voor Ezau. Jakob zelf komt achter ons aan.

 

20 De tweede, de derde en alle volgende knechten kregen van Jakob eender consigne.

21 En vergeet vooral niet erbij te zeggen:  Uw dienaar Jakob zelf komt ons achterop.  Hij dacht namelijk: Ik zal proberen Ezau mild te stemmen met de beesten die ik vooruitstuur; pas daarna durf ik hem zelf onder ogen te komen, misschien is hij dan bereid mij welwillend te ontvangen.

22 Zo liepen Jakobs cadeaus in  een sukkeldrafje voor de colonne uit. Maar zelf bleef Jakob die nacht nog in het betrekkelijk veilige kamp.

 

23 Het was nog donker toen Jakob opstond en de Jabbok op een doorwaadbare plek overstak, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. 24 Nadat hij dezen over de rivier had geholpen, bracht hij ook zijn bezittingen naar de andere oever.

 

 25 Zelf bleef hij ook nu weer achter, eenzaam, maar niet alleen. Heel de nacht worstelde hij er met iemand die hij niet kende en wiens gelaat hij niet kon zien. De tegenstander was sterk, maar wat hij ook probeerde, hij kreeg Jakob er niet onder. Bij het aanbreken van de dag verflauwden ’s mans aanvallen. 26 Maar in een laatste uitval wist hij toch nog Jakobs heup te raken, zo hard dat de kogel van het gewricht uit de kom sprong. Laat mij nu gaan,”zei Jakobs tegenstander. Zie, het wordt al dag. Maar Jakob antwoordde: Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.

 

28 Zeg mij nog hoe je heet, drong de man aan. Jakob, antwoordde Jakob. Waarop de worstelaar zei: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn, maar Israël, want je hebt met God en met mensen gestreden en je hebt gewonnen.

 

30 Vertel mij nu ook  hoe u heet,drong Jakob aan. Maar hij kreeg slechts ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?

 

Toen zegende de ander hem daar, op die plek.

 

31 En Jakob noemde hem Pniël, ‘want,’ zei hij, ik heb hier oog in oog gestaan  met God, van  aangezicht tot aangezicht. Ik heb met hem geworsteld en het er levend afgebracht.

 

32 Zodra hij bij Pniël mankend het water was overgestoken, zag Jakob de zon opkomen.

33 Omdat de worstelaar hem had uitgeschakeld met een treffer op die grote spier even boven de heup - Jakob zou levenslang hinken - eten de Israëlieten het vlees uit de heupstreek niet, tot op de dag van vandaag.  



PrintView Printer Friendly Version

Reader Comments

There are no comments for this journal entry. To create a new comment, use the form below.

PostPost a New Comment

Enter your information below to add a new comment.
Author Email (optional):
Author URL (optional):
Post:
 
All HTML will be escaped. Hyperlinks will be created for URLs automatically.