Hoorn
Ben ick de Moeder-Stadt van soo veel moedigh bloed,
Dat soo veel' wond'ren dé, en soo veel' wond'ren doet,
Van Mannen die, vermant, voor mannen noyt en weken,
Van Zeilers die, verzeilt, voor Zeilers noyt en streken;
Heb ick van allen eerst 't groot Haringh-net gebreidt,
Van allen eerst gespreidt, van allen eerst verbreidt;
Ben ick de Zuyvel-mouw van voor en achter Stav'ren,
Ben ick, soo verr ick sie, de Vrouwe van de Klav'ren,
En vraeght men hoe ick Hoorn van ouds herr heeten moet?
En heet ick anders recht als Hoorn van overvloed?
Aant. Huygens in de marge
5 1416.
10 Cornucopiae.
Hoorn
Ben ik de moederstad van zoveel moedig bloed,
Dat grootse dingen deed en die nog immer doet,
Van mannen die, benauwd, voor geen mannen weken,
Van zeilers die, verzeild, nimmer de zeilen streken;
Ben ik als eerste haring bij de vleet gaan vissen,
Mijn netten wijd gespreid, geen vette vangst te missen;
Ben ik het zuivelvat, van voor en achteren Stavoren,
De klavervrouw, van gras nog rijker dan van koren,
En vraagt men nóg wat Hoorn het is dat men ontmoet?
Hoe kan ik anders heten dan een Hoorn van overvloed?!
---
Zie folder Huygens, Stedestemmen, rechterkolom.
Voor info over de auteur en het origineel:
http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=huyg001
