Piërrette was derhalve niet rijk. Ook niet mooi, maar op overdonderende wijze. Scherpzinnig, met een discours waar de vonken van af spatten. Qua kop leek ze een beetje op Voltaire, zij het met ander haar. Ze was groot en krikte de hauteur nog wat op met hakken die men gemeenlijk op de vlakte zag.
*
Op Piërrette’s gerieflijke zolder in het betere Zuid, waar ik, ook tot mijn eigen verbazing, razendsnel van passant tot wintergast was gepromoveerd, maakten wij ons vrolijk om zulk gebeuzel. Maar het lachen was al niet meer onbekommerd. Dat er iets met die jongen was, ik wist het beter dan wie ook, al wist ik niet wat het was. Ook Piërrette moet hebben gevoeld dat onze folie op adieu zou uitdraaien.
Weldra dronk ik de hele nacht door en nam ik het bed van haar over als zij opstond om op die hoge hakken naar het Maison Descartes te gaan teneinde Ronsard of zo iemand te vertalen. Tollend van de slaap, maar onverminderd zwikvast. Wanneer zij thuiskwam, zat of lag ik reeds aan de sauvignon blanc. Om onder het nu gevreesde minnespel uit te komen, putte ik vrijelijk uit een lijst plotseling opkomende dan wel terugkerende klachten. De meeste waren geveinsd, maar sommige wortelden in de werkelijkheid.
Zo werd ik op zekere nacht, het liep tegen half twee, tijdens een van mijn evasieve zoenen overvallen door een kiespijn zo hevig, dat mijn existentiële wee spontaan in het niet verdween. Piërrette liet geen tijd verloren gaan: “Vooruit, sta op! Meteen naar de tandarts!” - “Ik (kreun) héb geen tandarts.” - “Nu wel, kleed je maar aan.” Haar vingers - wat vond ik haar rood gelakte nagels opeens weer mooi – vlogen door het telefoonboek. “Aba, Ada, Aga – Agamemnonstraat? Non! Opgepast voor Grieken die in je mond gaan rondspoken. Ba-ba-ba. Aha, Bachstraat. Dat is beter. Uitsluitend op afspraak. Kán niet beter!
“Goedemorgen, freule van L. hier. Juist, van L. Met tandarts Bijsterveld? Luistert u eens, meneer Bijsterveld, mijn verloofde is ineens overvallen door kiespijn. Wablief? Nee, helpen niet … zwaardere dingen heb ik niet in huis … Heel vrindelijk, maar het lijkt me beter dat hij meteen komt … Inderdaad, nu! Als u oplegt, bel ik meteen een taxi.”
Twintig minuten later lag ik in de stoel bij meneer Bijsterveld. Ontspannen, want hij had me bij wijze van welkom een prik gegeven. “Eens even kijken. Jawel, dat kiesje kunnen we nog net redden. Op het nippertje, hoor. Op het nippertje.” Nog eens tien minuten later was de noodvulling gezet. We streken neer in de witlederen clubjes bij zijn receptiebureau. “Het is een beetje behelpen,” lachte Bijsterveld. “Ik weet niet zo precies waar alles ligt, maar u zult begrijpen dat mijn meisje geen nachtdienst draait, dáár draait de patroon voor op, haha.”
“Freule van L … Bekende naam. Een jonker Felix van L. zat in het dispuut van een vrindje van me… Ergens dichtbij in de stamboom? Ah zo, u kent ze niet allemaal? Maakt niet uit, u weet wat men zegt: “aangetrouwd, dat wordt nooit eigen”, haha. Ziezo, meneer R., nu staat u bij mij in het Grote Boek. Volgende week donderdag doen we de blijvende vulling. Weer om twee uur, maar dan wel overdag. Als het u schikt, maken we meteen een behandelplan. Tijd in het buitenland gewoond?” Hij wierp een blik op mijn sleetse spijkerbroek. “Ontwikkelingswerker, wellicht? … Ah zo, u hebt de taxi laten wachten? Tot volgende week dan, en mijn hartelijke groeten aan uw verloofde …”
*
In de strijd tegen mijn tandbederf betoonde Bijsterveld zich een Clausewitz. Een gedurfd tegenoffensief dichtte de gaten en zette een rij verzakte voortanden weer netjes in het gelid. De corresponderende rekeningen ploften niet bij Piërrette op de mat, maar werden bezorgd bij het ‘onverklaarbaar bewoonde' huis waar ik voor onze verloving enkele maanden had verbleven. Ik kwam er nooit meer.
Pas maanden nadat Piërrette en ik onze adderkluwen hadden ontward, begon Bijsterveld lont te ruiken. Konden we na deze sessie wellicht even naar mijn debetpositie kijken? Nota nummer één stond nu waaratje veer-tien maanden open. Twee, drie en vier waren evenmin betaald. “Nee toch!” riep ik ontsteld. “Time flies!” - “Het zou me spijten, meneer R,” antwoordde de gebitsstrateeg grimmig, “als ik mij rechtstreeks tot uw verloofde moet wenden. “Ik kan u niet tegenhouden,” lachte ik vriendelijk. “Schrijft u haar poste restante Timbuctu. Ze werkt daar aan een meerjarig Diderot project bij de Tuareg. Haha. U weet wel, ontwikkelingshulp…”
*
Bijsterveld heb ik nooit teruggezien. Maar ik was niet van hem af. Dat hij een incassobureau op mijn spoor had gezet, merkte ik overigens pas jaren later, nadat ik mijn zoveelste verhuizing voor de verandering wél ten stadhuize had gemeld. Het was een vrolijke en welvarende periode. Ik voer als gids op een rondvaartboot door de Amsterdamse grachten, wees van allerlei aan in vier talen en werd daar met ruime hand voor beloond, ook al doordat mijn schipper - een geblokt type – wegkijkers en excuusmompelaars op de valreep tot vrijgevigheid aanspoorde. “Don’t you forget the guide, sir.” Zonder vraagteken en uit welbegrepen eigenbelang, want ik moest de fooienpot met hem delen.
De botenbaas had me niet in dienst. Althans niet op papier. Kwam er controle (die nooit kwam), dan was ik een ‘student’ die af en toe een tochtje maakte. ‘Voor zijn talen’. Als douceurtje beurde ik wekelijks twintig gulden. ‘Koffiegeld’. Te min voor de fiscus. Als de melkweg spande het firmament van de rijkdom zich boven mij uit: een zee van shillings en dollars en marken. Bij een bank aan het Damrak, schuin tegenover mijn rederij, wisselde ik af en toe een handje vreemd voor geld. Een rekening had ik niet. Mijn schat bewaarde ik thuis, in een paar grote Keulse potten.
Op zekere dag lag er een blafbrief van het Incassobureau Argus in de bus. Clausewitz’ dragonders hadden me gelokaliseerd en boden geen kwartier. Rente en kosten meegerekend, stond er negenhonderd gulden en nog wat open. Ik diende het bedrag ineens te voldoen en als dat niet ging, moest ik me onverwijld bij Argus melden om een afbetalingsregeling te treffen. Eens kijken, waar zaten de heren?
Hoewel ik het Damrak meende te kennen, had ik het pandje nooit opgemerkt: een Oudhollandse pijpenla, schier onzichtbaar tussen het visuele geweld van Cineac en Victoriahotel. Ik schelde bij tweehoog. De deur sprong open, ik glipte naar binnen en vloog de steile trappen op. “Jonge schuldenaar onderstreept zijn bona fides door zich exact op tijd bij Argus aan te dienen.’’
Zo kwam het dat ik min of meer met de deur in huis viel. Mijn stuivende entree stoorde een klerk bij het afvloeien van een brief. Hij droeg een leesklep met groen mica, tegen het invallend bovenlicht, en grijze kantoormouwen om de onderarmen. “Nu is de handtekening gevlekt,” sprak hij toonloos en zonder affect. “Dus die kan zo niet de deur uit. Die mag ik weer overtikken.” Hij wees naar de hoge Underwood op een neventafel van zijn eikenhouten bureau.
Ietwat beschroomd vroeg ik de heer Vroom te spreken. “De procuratiehouder,” verduidelijkte ik. “Ik ben meneer Vroom zelf,” antwoordde de man. Hij schoof de zonneklep naar achteren, nogal bruusk, zodat het elastiek knapte. “Verdomme, nu dát weer. Verder is hier op het ogenblik niemand, wat niet geeft omdat u mij tóch moest hebben. Maar neemt u plaats.” Ik volgde zijn blik naar een stoffig zitje in de hoek. “U bent de heer R.? Neemt u plaats, even het kistje pakken.”
Uit een kluis in de muur haalde hij een gemoffeld geldkistje tevoorschijn. Hij zette het met een klap op tafel en streek tegenover me neer. “Kijk, meneer R.”, sprak de heer Vroom, “dit is om zo te zeggen uw eigen brandkast, en dit” – hij haalde er een schriftje met gemarmerde pagina-einden uit - “dit is uw persoonlijke kasboek waarin ik de betaalde termijnen boek. Zó werkt dat bij bureau Argus. De vordering bedraagt nu negenhonderdvierentwintig gulden, zesentwintig cents. Een flink bedrag. Zeg het maar, wat had u gedacht te gaan afbetalen?” Hij keek me fronsend maar niet onwelwillend aan en vervolgde: “Zélf dacht ik aan vijfentwintig gulden per week. Dan komt er wat schot in de zaak.” Mijn zucht sprak boekdelen. “Maar minder kan ook wel, hoor! Zeg het maar, wat kunt u missen?” Na enig loven en bieden, zuchten en steunen, werden we het eens. Tien gulden per week. Des vrijdags te voldoen.
Als ik dan rondvaarten had, hoefde ik alleen maar het Damrak over te steken. Met één tientje op zak. Geen cent meer. De fooienpot gaf ik even bij mijn schipper in bewaring, want het gerinkel zou de heer Vroom zeker niet zijn ontgaan. Iedere keer informeerde hij indringend naar mijn financiële positie. Was ik intussen wat beter bij kas, misschien? Bij dit betalingsregime zou ik nog jaren aan hem vastzitten. “Meneer R., u betaalt een heleboel rente, plus de incassokosten en u loopt nauwelijks in.”
Bij dat al was van werkelijke pressie echter geen sprake. En er waren meer dingen die ik zonderling begon te vinden. Zo was de heer Vroom bij mijn binnenkomst – niet altijd op hetzelfde tijdstip en ook wel eens op een andere dag als dat zo uitkwam - steeds moederziel alleen op kantoor. De deur achter zijn bureau vermeldde “administratie”, maar zat altijd potdicht. Erin of eruit - ik heb nooit een mens zien passeren. Als er al bedienden achter die deur zaten te administreren, dan deden ze het in doodse stilte. Ook Vrooms schrijftafel weerspiegelde rust. Alles lag altijd op dezelfde plaats. En het werd tijd dat iemand die monumentale schrijfmachine eens afstofte.
*
Op slappe dagen – vóór in de week, regen, eind van de maand – moesten ook de cicerones in actie komen om volk naar de kassa te lokken. In het begin dorst ik geen hond aan te spreken, maar een gelouterde collega nam me mee naar de Nieuwendijk en liet me zien hoe de ‘stoepiers’ van de populaire kledingmagazijnen voorbijgangers met een leuke babbel ankatzten en vasthielden tot de winkeldeur.
Konden wij ook. Een beetje. Als berberapen met St. Vitusdans sprongen we heen en weer over het Damrak. RRRRrrrundfahrt, Boatrrrride, Prrrommmenade en bateau. Van de nu veel te stille waterkant naar de altijd drukke overzijde, waar we het af en toe aan de stok kregen met straatfotografen die daar hun vaste stek hadden en ons bloed wel konden drinken. Zelfs wanneer ik me als een baltsende loopvogel aan een clubje middelbare dames hechtte en wervend op hen in kwekte, hield ik stiekem de pijpenla van Argus in het vizier. Het zou me toch niet gebeuren dat de heer Vroom…
Dat bleef me bespaard. Maar met Piërrette was het kantje boord. Ik maakte me los uit een groepje toeristen dat ik vergeefs in de richting van de Dam was gevolgd en keerde op mijn schreden terug. Daar was ze. Twintig meter en een miljoen lichtjaren van me verwijderd. Een smadelijke sprong, de hal van C&A in, voorkwam dat ze mij eveneens zou zien. Hoog op de hakken, zwikvast als immer, kwam zij voorbij, bras dessus, bras dessous met een Moorse Prins. Een mooie man met een vriendelijk en intelligent hoofd. Waterafstotend was hij ook. Het miezerde, tegen regenen aan, maar op mijn ex en haar vriend, of verloofde of echtgenoot, hadden de druppels geen vat. Zonder regenscherm schreden zij voort, schertsend en lachend, in elkaar verzonken. Imperméable.
Ineens haatte ik de rondvaart met zijn armzalige gesjacher en zijn trucjes. Zijn uilige dagjesmensen en hun jengelende kroost. Geen boot zonder middelbare dame die ‘zo goed was in haar talen en Amsterdam op haar duimpje kende’, met een muizig nichtje uit Parijs dat ze, terwijl jij nog in het engels bezig was, ‘alvast’ in haar schoolfrans, de geluidsinstallatie moeiteloos overstemmend, Voltaire’s trouvaille canards, canaux, canaille in het oor fluisterde. Het was mooi geweest. Ik zou mijn Keulse potten legen en mijn smoezelige fooien wisselen voor krakend nieuwe biljetten van de Nederlandsche Bank. Die vrijdag zou ik dan het postje Bijsterveld in zijn geheel voldoen. De heer Vroom, blij verrast, zou mijn schriftje tevoorschijn halen, en er met kapitale letters “voldaan” in stempelen en het me glimlachend als souvenir meegeven…
*
Op mij had de regen wél vat gekregen. Een zware verkoudheid hield me veertien dagen uit de roulatie. Van Argus hoorde ik niets. Wat voor de hand ligt als je geen telefoon hebt. Dat de heer Vroom me evenmin schriftelijk maande, legde ik uit als een blijk van vertrouwen. Bij de bank, daarentegen, zagen ze me liever gaan dan komen met mijn zakken muntjes. De wisselkoers was sowieso slecht, maar toen ik bleef weigeren om een rekening te openen, brachten ze bovendien hoge kosten in mindering. Ik maalde er niet om. Reeds halverwege de vijfde wisselsessie doorbrak ik de magische duizend gulden grens, waarna ik met 1123 florijnen en nog wat de bank verliet. Thuis was de dikke buik van mijn Keulse stroppenpot nog lang niet leeg.
Hemel! Was ik zó rijk? Ineens stonden mijn goede voornemens – niet naar de kroeg, door de week helder achter de schrijfmachine om een schitterend boek te schrijven, in het weekeinde lezen en studeren – weer op dolle schroeven. Elfhonderd piek, daar kon je van naar New York! Vliegen! Maar mijn betere ik bood weerstand. Geen gelul! Eerst de oude Vroom zijn achthonderdenzoveel gulden betalen! Daarna zagen we verder.
Toen ik die vrijdag de pijpenla van bureau Argus binnenglipte, had het me meteen moeten opvallen. De trap. Niet kaal, zoals ik hem kende, met stapels oude kranten in de oksels van zijn treden, maar gestoffeerd met een hoogpolige loper die het roffelen van mijn voeten dempte. Pas op tweehoog, met mijn hand al aan de deurknop, hield ik in. Wat nu? Was ik bij de buren naar binnen gerend? Nee, dit was wel degelijk het bureel van Argus. Alleen: de naam was van het melkgas afgekrabd. Er was een grote enveloppe overheen geplakt met de tekst PADT AGENTUREN v.o.f., bellen s.v.p.
Binnen was de metamorfose totaal. Het zitje bij de deur was verdwenen. Op Vroom zijn plaats, achter een modern stalen bureau, zat een meisje van mijn leeftijd als een blinde te tikken. Ook achter de tussendeur werd nu gewerkt, zag ik. De arm die hem meteen na mijn entree dichtsmeet was bloot en harig, zonder kantoormouwen. “Kan ik u helpen?” vroeg het meisje zonder dienstvaardigheid uit te stralen. “Eh”, sprak ik. “Bureau Argus, de heer Vroom…?” Haar gezicht betrok. “Bert”, riep ze schril. “Bert!” Aan de arm die ik had gezien zat een doorvoede vijftiger vast. Hij stormde met een rood hoofd naar binnen alsof ik zijn assistente geweld wilde aandoen. Maar toen we eruit waren dat ik voor de heer Vroom kwam, die hij níet was, en niet voor de heer Padt, die hij wél was, draaide hij wat bij. “Meneer, ik word er gek van,” klaagde hij. “Ik houd hier nu twee weken kantoor en word om de haverklap lastig gevallen door allerlei volk, neem me niet kwalijk, ik bedoel er niks mee, dat nog op zoek is naar de vorige huurder. Lezen de mensen geen kranten meer, vraag ik me wel eens af… Ik verwijs nu iedereen naar bureau Warmoesstraat, die hebben de zaak behandeld. Goedendag!”
*
“Hij moet er al een paar dagen hebben gehangen,” zei Truus van de Ruige Rakker terwijl ze me mijn derde halve liter tapte. “Geen leuk gezicht, natuurlijk. Die jongen van de glazenwasser was helemaal overstuur. Ze zuchtte. “Kind noch kraai. Het zal hem allemaal teveel zijn geworden.” Of te weinig, dacht ik en ik kon mezelf wel slaan. De zaak liep vol. Merendeels beursmensen. Hoewel ik er vaker kwam, kende ik niemand. Maar dat ging veranderen.
Ik greep de bel bij zijn staart en gaf een ruk. “Het huis.” Truus keek me vorsend aan. “Maak je geen zorgen,” zei ik, op mijn kontzak kloppend. "Mazzeltje gehad.” Aan de beurstafel stond een geruit heerschap op. Hij hief zijn glaasje klare. “Alvast op uw gezondheid en met wie heb ik het genoegen?” Ik liet me van mijn kruk glijden en hief mijn pils. “U hebt het genoegen met mij,” antwoordde ik. “Maar de heer Bijsterveld betaalt het gelag, haha.”
***
