Groen
Voor Machteld Z.
1964 Nadat ik mijn schetsboeken en houtskool had weggeworpen en het grauwe veldezeltje voor een joet op het Waterlooplein had achtergelaten, wierp ik mij verbeten op de letteren. Mevrouw Van G., die er heel niet van ophoorde dat ik voortaan als aankomend schrijver en dichter door het leven zou gaan, schonk mij de Remington van haar overleden man die in een zijkamertje stond te verstoffen.
“Dan kunt u uw verhalen meteen uittypen, meneer Rontèltap,” legde zij uit. “Want eerst alle woorden met de pen opschrijven en dan pas gaan typen, dat is dubbel werk en dat schiet niet op.”
Op kantoor, bij de Flexa, had ik mezelf zo’n beetje machineschrijven geleerd, met twee vingers en een aanslag alsof ik palen zat te heien, maar zo’n ver vooroorlogse machine was voor de eeuwigheid gemaakt, net als de werken die erop zouden ontstaan.
Dat ik in het begin toch niet van een leien dakje schiep, was het gevolg van een kleine eigenaardigheid. De Remington van wijlen Van G. was niet met een Angelsaksisch QWERTY toetsenbord uitgerust, maar had van de heren R. de Franse configuratie meegekregen. En die wijkt nogal af. Bovendien tikte ik zo onregelmatig dat ik om de paar aanslagen een tiental letterarmpjes uit een groepsverstrengeling moest losmaken.
Hoe was Van G. zaliger aan die rare machine gekomen? Was hij leraar Frans geweest, misschien, of was le Remingtón hem in Parijs cadeau gedaan door een serveerstertje op wie hij, tijdens een zakenreis, hoewel gelukkig getrouwd met een lieve vrouw die thuis op hun eerste kind zat te wachten, hevig en hopeloos verliefd was geworden, zodat hij zich ten einde raad in de Seine…
Maar in plaats van zulke fantasietjes op te schrijven (“Onzin! Hoe kwam dat ding vervolgens in Amsterdam, of zou de hoogzwangere weduwe naar Parijs zijn gegaan om het lijk te identificeren en was zij in de Morgue op het wenende meisje gestuit, dat eveneens…”) maakte ik, tikketikkeboem, bleke pastiches van Kafka, waarin een zekere R. door de Staat werd gemangeld, alsmede verzen vol zee, wind en veile vrouwen. Evenmin uit de eerste hand, want ik werd al zeeziek als ik water zág, terwijl de meeste meisjes mij maar een rare vonden, zodat het er niet van kwam of jammerlijk mislukte.
Mijn extases dankte ik dan ook grotendeels aan de jonge jenever en het Els bitter waarop ik was overgestapt omdat ik anders teveel bier dronk. Alleen, mompelend of binnensmonds zingend, een gek, doolde ik door Amsterdam, vooral door Oost, waar de Sarphatistraat ook in mijn ogen de mooiste straat van Europa was en waar de lafhartige sloopmoord op de 19de eeuwse stad nog maar net was begonnen.
Uit één van die nachtwankelingen, of allemaal, ontstond een soort van prozagedicht van naar schatting – ik heb het niet meer – 300 woorden, waarvan ik vond dat het gezien mocht worden. Het ging, meen ik, over een verdoolde varensgezel die met een hartsvanger rondloopt om iets te wreken, van dien aard. Misschien was het wel een broer van de Ancient Mariner of van Shakespeare, want het eindigde aldus:
Measure for measure, he cried,
Doubled up in my arms – and died.
Ik las het voor aan mevrouw Van G. en die zei dat ik prachtig kon voorlezen, waardoor ik mij zeer gesterkt voelde. “Alleen dat Engels, meneer Rontèltap, dat is misschien een beetje vreemd in Nederland, vindt u niet?”
Futiliteiten. Nú was de tijd gekomen om te publiceren en naam te maken. Ik wist dat er literaire tijdschriften bestonden, maar ik had me laten vertellen dat het daar allemaal vriendjespolitiek was en dat je de lezers ervan eigenlijk net zo goed bij je op de thee kon vragen. Maar wat dan?
“Als ik u was, meneer Rontèltap,” zei mevrouw van G., “dan zou ik het eens bij De Groene Amsterdammer proberen. Zelf heb ik dat blad nooit gelezen, maar het bestaat al heel lang en mijn man was er altijd tevreden over. Kijkt u maar even in het telefoonboek.”
Nog diezelfde avond typte mijn Remington als in trance, bijna op de automatic write, ongeveer het volgende briefje.
Mijne heren,
Bijgaand zend ik u “De Winter, De Zee”, een literair werk van mijn hand. Ik heb nog niet eerder gepubliceerd en zou het zeer op prijs stellen in uw blad te debuteren.
Aangezien ik niet over een girorekening beschik, gelieve u het mij alsdan toekomende honorarium per postwissel over te maken.
Hoogachtend,
Ruud Ronteltap
Met een sonore plof viel de enveloppe in de brievenbus. En nu maar wachten. Het zou wel even kunnen duren, hield ik mij voor. Dat viel mee. Al de week erop vond ik op het posttafeltje in de hal een couvert met venster en een boel groen erop. Mijn hart berstte bijna.
De brief was gericht aan de heer R. Ronteltrap. Een vaak voorkomende vergissing, maar als je een van je jonge auteurs aanschreef, dan lette je toch wel beter op? Mijn hart kromp ineen.
Binnen, op mijn kamer, scheurde ik de flop open.
Beste Ruud,
Heel hartelijk dank voor je inzending voor de rubriek “Mensen van Morgen” die, zoals je weet, verband houdt met de gelijknamige film van Kees Brusse.
Wij vonden de titel wel erg veel lijken op het klassieke gedicht van A. Roland Holst, zodat wij deze hebben vervangen door “De Hartsvanger”.
Voor de bijdragen aan MvM is geen honorarium beschikbaar, maar als blijk van onze waardering ontvang je, zoals alle medewerkers, de bijgaande boekenbon.
Nogmaals dank, succes gewenst en wie weet tot ziens!
---
Noot: meer over mevrouw Van G. in "Een Moderne Heilige"
