More About This Website

spot is de voortzetting van ernst, met andere middelen

 
Subscribe
Login
Powered by Squarespace
Egidiuslied
Een Moderne Heilige
Prima della revoluzione, het zal 1965 zijn geweest, bewoonde ik een zolderkamer in de Amsterdamse Deurloostraat, net om de hoek van de Scheldestraat. Ik huurde van éénhoog. De kamer had een moderne wastafel met twee kranen. Koud en heel koud. Een wc en een kachel ontbraken. Dit was destijds de gewone toestand in de kamerverhuur, althans wanneer men op zolder een booienkamer huurde die door een niemandsland, ‘de trap’, van het huis of de etage gescheiden was. In zo’n geval verstrekte de hospita meestal wél een huissleutel, zodat de huurder het kleinste kamertje voor z’n grote boodschap kon gebruiken. Maar liefst zo min mogelijk en zeker niet bij nacht en ontij. Buitenshuis poepen genoot de voorkeur en aanvallen van de racekak bleven nooit onopgemerkt. “U gaat de laatste tijd wel vaak, meneer!”

Zulke geclausuleerde wc-vergunningen waren strikt individueel en niet overdraagbaar. Binnenskamers werd dan ook op grote schaal wild geplast. Kraan aan, snikkel boven de wasbak, en klaar was Kees. Herenbezoek was veelal niet anders gewend. (De gastheer deed er dus goed aan washandjes en scheergerei in veiligheid te brengen alvorens hij het eerste pilsje serveerde.) Bij de dames lag het wat moeilijker, maar dat had ook een positieve kant. Het wc-probleem vormde een excellente waterscheiding tussen toffe meiden en trutten die ondanks een absoluut lichtdicht kamerscherm niet op het emmertje wilden en in mijn geval dus snel het pand verlieten.

Maar de bolus was uiteraard andere koek. Overdag kon men gratis op zijn werk (onderbelicht pluspunt van een vaste dienstbetrekking). Zat men zonder, dan kon men tot diep in de middag om niet terecht in de luxueuze schijtsalons van het stadhuis en andere openbare gelegenheden. Daarna was men aangewezen op cafés, hetgeen veronderstelde dat men a) geld had voor twee consumpties en b) dat men redelijk vlot van bil ging. A) omdat men anders het risico liep de volgende keer met een hartelijk “daar hebben we de kakker” te worden begroet en b) omdat men anders verzekerd was van geram op de deur en minder vriendelijke teksten. Zodat men, het puntje van zijn staart tussen de benen, onverrichter zake huiswaarts moest.

Waar men meteen wél moest, natuurlijk. Ook hierop werd iets gevonden: het “krantensysteem”. Schakende schijters zouden het beslist geen elegante voortzetting hebben genoemd. Men deed zijn gevoeg in een materie - en reukdicht stapeltje opengevouwen kranten en maakte er met plakband of duct tape een stevig pakket van. Beginnende systeempoepers voelden vaak de aandrang om zich ’s nachts van hun ongeadresseerde stukken te ontdoen en trokken dan aller aandacht door hun schichtige gedrag. Beter was het om ze ’s anderendaags op klaarlichte dag de eerste de beste Mokumse gracht in te flikkeren, zoals iedereen met van alles en nog wat deed.

En er waren, wist ik, nog andere oplossingen.. Die onverwachte gevolgen konden hebben. Enige jaren vóór de Deurloostraat, bewoonde ik een kamer op nummer 21 van de Plantage Parklaan. Gezien van de Plantage Middenlaan, ligt dit pand op de ‘verre’ hoek van de Henri Polaklaan, dus net buiten de gratie en de chique van de lagere nummers. Maar het is nog steeds kapitaal te noemen. Daarna wordt het snel minder, een teken dat ik destijds niet begreep. De kamer bevond zich op de eerste etage, aan de voorzijde, tegenover mijn geliefde Wertheim Park(je) en een sportveld dat mijn afkeer van korfbal springlevend hield.

Mijn hospita, mevrouw Van G., was een rijzige vrouw, een dame zonder airs. Zij kleedde zich, zomer en winter, in lange donkere japons met wat wit aan de hals en aan het eind van de eveneens lange mouwen. Soms een camee of een zilveren broche. Verder geen opschik of maquillage. Zij zal voor in de zestig zijn geweest, maar ze had iets ongerepts, iets leeftijdsloos. Toch was het leven haar niet voorbij gegaan. Ze was weduwe en ze had kinderen, maar die kwamen, zoals men toen al begon te zeggen, nimmer in beeld. Hetgeen niets over de verhoudingen zegt, want mevrouw Van G. (ik heb haar voornaam nooit gekend, maar voor mij heet ze Ernestine of Henriëtte) was een mens bij wie privacy werkelijk een two way street was, geplaveid met mensenliefde.

Zij woonde schuin voor en had een balkon dat uitzag op de diepe en donkere tuinen van de eerste panden in de Henri Polaklaan, een adres dat je niet meteen met een vakbondsman associeert, maar ach, zo laat je zien wat iemand waard was zonder dat het je een cent kost. Gedrieën maakten wij gebruik van dezelfde wc, het kleinste kamertje, dat wel, maar één van riante afmetingen en voorzien van een comfortabele toen al antieke vlakspoeler, van het merk Sphinx. “Waarbij je Intiemste Geheimen Veilig Zijn”. Dritte im Bunde was de heer Mr. P., een advocaat, zo te zien van gesjeesde zaken. Hij was rond de veertig, oogde als een relict uit de jaren dertig, kamde z’n vettige zwarte haar strak achterover en mocht zijn mottige oude Simplex zomer en winter in de gang stallen. “Ja, weet u, meneer Rontéltap,” legde mevrouw Van G. uit, “meneer P. z’n fiets is al ’n keer gestolen, dus daarom laat ik hem maar.”

Dat mevrouw Van G. bij het noemen van mijn naam de tweede lettergreep beklemde, vond ik wel wat sjieks hebben. Meester P. breng ik slechts ter sprake om te verklaren waarom zich op de gemeenschappelijke doos drie aparte, van naamkaartjes voorziene rolhouders bevonden. “Dus dát, meneer Rontéltap,” sprak ze de eerste dag verlegen (ontwaarde ik daar een blosje?), “dát is die van u. Maar als uw papier eens op mocht zijn, mag u gerust even míjn rol gebruiken, hoor.”

Een maand of wat later, het is intussen hoog zomer en bloedheet, neem ik, na een korte dienstreis geprangd thuiskomend, onverwijld plaats op de koele Sphinx en zie ik aan de deur een vreemde pleerol hangen. Numero vier. “De meneer van boven” staat erop, in het keurige handschrift van mevrouw Van G. Als ik even later naar buiten ga, staat ze in de keuken een kopje thee te maken. “Hebben we een nieuwe bewoner?” vraag ik..Roosjes ontluiken op haar wangen. Dan komt het verhaal er uit. Nee, dat toiletpapier is voor de meneer die helemaal boven woont, op zolder. Hij huurt van tweehoog. “U weet, meneer Rontéltap, dat ik vaak op het balkon zit, zeker als het mooi weer is.” Hoewel haar intieme lustwarande voor mij nooit en nergens te zien is, noch vanuit huis, noch van de straat af, knik ik om haar niet van haar apropos te brengen.

Wel,” vervolgt ze, “als ik daar zo zat, zag ik wel eens iets naar beneden zeilen, net langs mijn balkon. Pakjes, leken het wel, maar ik kon ze niet goed zien. Meestal kwamen ze beneden in de struiken terecht. Maar...”( Néé, denk ik bij mezelf, het zal toch niet wáár wezen… )“Maar vorig week,” stottert ze, “vorige week, toen het ook zo warm was, kwam er zo’n pakketje hier op het balkon terecht. Helemaal per ongeluk, natuurlijk, daar kon die meneer ook niks aan doen. En ach, meneer Rontéltap, ik had het nooit mogen doen, natuurlijk, maar ik was toch zó nieuwsgierig… “ – “Ja,” roep ik ongeduldig, “Vertel, vertel… Wat zat erin?” Ze gloeit alsof ze koorts heeft en slaat haar ogen neer. “Ik had het natuurlijk nooit mogen doen, maar toen heb ik het tóch opengemaakt. En wat erin zat, dat was die meneer zijn ontlásting!”

Zij heeft de boel weggewerkt en is op onderzoek uitgegaan. Niet zo moeilijk, want het schier loodrechte parcours van de droppings was haar een goed richtsnoer. Ook was het haar bekend dat haar bovenbuurvrouw, die de zolderkamer verhuurde, wel de lusten maar niet de lasten wilde. Zij is toen naar een sleutelgeus gegaan, heeft een extra kopie van haar huissleutel laten maken en is daarmee op de pakketpoeper afgestapt. “Hier, meneer, als u bij uw eigen hospita niet mag, komt u voortaan maar bij mij.”

Ze hing het een of andere mallotige minigeloof aan - iets met apostolische sferen, meen ik, en alleen al daarom zal het er wel nooit van komen. Maar mocht de H. Vader mevrouw Van G.in een vlaag van verbijsterend verstand tóch zalig willen verklaren, dan kan Rome weer op me rekenen.