DOOD!
Zomer 1971 Elly was weg en bleef weg en na drie dronken weken drong het tot mij door dat zij niet zou terugkomen.
Het was afgelopen, uit.
Zo had ik haar op die ochtend, lazarus maar helder thuisgekomen, de trap zien afdalen: mooier dan ooit in een zwart safaripak, de fedora op het blonde hoofd, in de ene hand het rieten noodkoffertje, in de andere een opgetogen rukkende Willem. Hij trok haar bijna onderuit, zo’n haast had hij om het huis te verlaten. De taxi stond voor. En ik ernaast.
“Ik ben dus weg,” zei ze en stapte in. Het duurde maanden voor ik me erbij neerlegde. Maar bij alle verdriet en bij alle volkstoneel dat eruit voortvloeide, zag ik toch een lichtpuntje:
Met Willem was het ook uit.
Tussen hem en mij had het nooit voluit geboterd. Op neutraal terrein speelde hij vriendjes, begroette hij me met de kwispelstaart en montere kefjes, maar thuis was hij vaak narrig en jaloers.
Wij bewoonden - 3x kraak = raak! – een 16 meter diepe etage zonder deuren en wanneer wij daar één vleesch werden, wat in het begin nog wel voorkwam, trok Willem zich met groot vertoon van dégoût terug in de uiterste duisternis om daar zacht te gaan liggen janken tot het gedaan was.
“Ja, meneer,” zeiden de mannen in het café, negerend dat Elly hem aan de lijn had, “dat is nou eens een echte Mechelse herder, die hond van u. Die zijn waaks, meneer, die grijpen je meteen!” (Ook kleine kinderen spreken maar zelden de waarheid) Willems oranje krulletjes waren zijdezacht en leken alleen van afstand op het gedraaide kopervijlsel van de Mechelaar en waaks was hij in zoverre dat hij meteen in elkaar dook zodra er iets engs leek aan te komen.
Laf als een blik spek. Het lijf te lang, de poten te kort, het schichtige hoofd toch wat smalletjes achter die forse wenkbrauwen en zijn gebit nog slechter dan het mijne. Ook tussen de oren hadden wij veel gemeen, Willem en ik. Beiden een beetje van de straat geworden, maar toch het liefst veilig thuis; niet wakker of waaks, wankele ego’s, ronddolend in het schemergebied tussen fight en flight.
Ook Willem had een hondenleven gehad tot Elly hem opnam. Zij was toen net 18 en had besloten alleen te gaan wonen omdat haar vriend, een eeuwige student, nog heel vlot maar alweer een eindje in de dertig, haar na een vol jaar jeugdconcubinaat begon te vervelen. Maar toen zij er eenmaal zat, op die leuke zolder, werd zij weer door boulimie overmand.
Een hond, dacht zij. Een hond was wat zij nodig had. En niet zo’n lullig keffertje, maar een heuse hondenhond. Nog diezelfde week plaatste zij de volgende advertentie in Het Parool:
Meisje zoekt LEUKE GROTE HOND (mannetje, geen jonkies). Moet ZINDELIJK zijn en GEHOORZAAM. Kom hem maar laten zien bij Elly…
Wonder boven wonder kwamen er zelfs mannen op af met honden. De eerste van de anderen, die al beneden aan de trap begon te roepen wat voor kunstjes hij haar wilde vertonen, liet Elly nog blozen en stotteren, maar de volgende zagen meteen van verdere avances af, want het “Amsterdamse meisie” was viswijven moeiteloos de baas.
’s Avonds laat gaat de bel. Elly doet open en onder aan de trap begint iemand hard te brullen “Rin Tin Tin, àf, zeg ik je, godskolere! Leggen! Hé, dag mevrouw, ik kom voor die advertentie in de krant.” Langs hem heen schicht een magere hond met rossige krulletjes de trap op. Hij glipt buikschuivend langs Elly naar binnen en gaat zacht jankend in dekking, achter een stoel.
De man is morsig en van onpeilbare datum. Hij ruikt naar de drank, maar beschonken is hij niet. “Eerlijk, mevrouw, hij is sterk en waaks en hij luistert altijd. Let maar eens op! RIN TIN TIN, bij de baas! HIERRRR!” Hij rukt de stoel weg en grijpt de angstig piepende hond in zijn nekvel en schudt hem door elkaar. Elly kan het niet aanzien. “Ja, ik neem hem, ik vind hem mooi, wat moet hij kosten?” De man aarzelt, zegt dan: “En hij kan ook allerlei kunstjes, mevrouw, hè Rin Tin Tin? DOOD, DOOD! Vooruit, Rin Tin Tin. Leggen! DOOD!”
“Net wat ik zoek,“ zegt Elly, “een dooie hond. Zeg het maar, hoeveel?” De man kucht, draait, rolt wat met zijn ogen en roept dan, te hard: “Honderd gulden, moet ik hebben! Dat is helemaal niet duur en dan heb je de riem er gratis bij.” Alsof het zo moet zijn, zodat het zo wordt, heeft Elly een meier contant in de knip. “Heeft u het niet kleiner?” vraagt de man. “Nou wegwezen,” zegt Elly, “en vlug, anders stuur ik mijn hond op je af!”
Zij deed me het verhaal niet om de frappe, maar om me duidelijk te maken waarom ze Willem Willem had genoemd. “Ik zocht een goeie naam, maar wel met iets van Rin Tin Tin erin, want een nieuwe naam, had ik eens ergens gelezen, moet altijd naar de oude klinken, anders weet zo’n hond niet meer wie hij of dat hij is.”
Ah zo! Het was in die verrukkelijke nacht dat ik, op de bonnefooi, we hadden één keer even gepraat, om een uur of drie in de Vinkenstraat bij haar aan was komen vrijen, een tikje aangeschoten, maar compos mentis, met op mijn arm een stapel karbonaden die ik even tevoren, om de hoek had bemachtigd. “Gejat, voor Willem, bij de avondslager, ik zag zo gauw geen bloemen.”
Een zijruitje was het, echt een dingetje van niks. Toch heeft zij, in haar ochtendjas en op van die vertederende pomponmuilen, in de keuken een uur staan wassen en waterspoelen eer zij er zeker van was dat wij Willem een absoluut splintervrije karbonade serveerden. Ik keek naar haar, ik luisterde naar haar, ik dronk een pilsje, en nog een pilsje, en ik vertrok weer. Tot morgen. Tot straks!
Over mijn eigen hondenschemer heb ik haar dus pas later verteld. Een paar maanden voor mijn achtste verjaardag begon ik thuis, niet voor de eerste keer, om een hond te zeuren. Kwam niks van in, zei mijn moeder resoluut. Een hond was geen zegen, maar één en al ellende, alles onder de haren en geblaf in het holst van de nacht. Maar als dat nou eens een inbreker was? “Bij ons is niks te halen,” antwoordde mijn moeder, “daar zorgt je vader wel voor!”
Het luchtte haar op, zulke dingen te zeggen waar hij bij zat, maar het was wel een tactische blunder. Ineens was het onderwerp “de hond als gezinslid” voor mijn vader niet meer taboe, althans niet in het schuurtje, waar wij vaker samenzwoeren. Wat voor hond zou het eventueel, heel misschien, kunnen worden, stel dát?
“Nou, een jonkie, natuurlijk! Dan kan hij goed aan mij wennen en zo, want ik mag voor hem zorgen.” Mijn vader keek bewolkt en schudde het hoofd. Een jong hondje, nog niet zindelijk – van zijn levensdagen zou hij dat er niet dóór krijgen. Was het niet een beter idee om een volwassen hond te nemen, een hond die zindelijk was en die luisterde en die van alles kon, bijvoorbeeld, hij noemde maar wat, apporteren en door van die brandende hoepels heen springen?
Binnen een week gaf mijn vader een dermate gedetailleerd signalement van de “ideale hond” dat ik begon te vermoeden dat hij er al een op het oog had, ook. “Een politiehond, zeker” zei ik. Hij probeerde me nog een dwaalspoor op te sturen, maar mijn conclusie lag voor de hand, dat zag hij ook wel in. Dat kwam: mijn vader was in de oorlog “goed” geweest. Niet actief in het verzet, maar hij was ook niet voor de Mof gaan werken. Mijn vader had thuis ondergedoken gezeten, in het kolenhok.
Toen Nederland na de bevrijding en de zuivering krap in zijn “goede” klabakken zat, had de overheid mensen als mijn vader gerekruteerd om op zon- en feestdagen en als het verder zo uit kwam, straatdienst te doen als “hulpagent van politie”. Hij verdiende een centje bij en mocht een zwart uniform dragen, met zilveren leeuwtjes, een koppel en een pistool.
Maar laarzen, nee. Die waren op of te duur of alleen voor de echte klabak, god mag het weten. In plaats daarvan droeg mijn vader hoge kistjes en van die lullige beenkappen, die de chauffeur van de wasserij ook droeg. Als hij dienst had, mijn vader, was hij al uren van tevoren vloekend bezig die kappen, om zijn ballonkuiten heen, dicht te gespen, want dan brak het riempje en dan ging hij dat weer maken en dan sloeg hij zich op zijn duim.
Zo begon hij dan aan zijn surveillance in de buurt, de handen op de rug, op het oog een rustige, doorgewinterde smeris, maar inwendig ziedend en immer op scherp, bereid voor het minste geringste zijn bonnenboekje te trekken.
Aan die tijd had hij “vrienden bij de politie” overgehouden, en één ervan, een zekere Dirk, richtte er de honden af. En laat Dirk nou net met een hond zitten die iets te nerveus was voor de dienst, maar die heel netjes was opgeleid en die hij wat graag zelf zou hebben gehouden, maar ach, mijn vader wist wel hoe onredelijk zij was, moeder…
Hoe de míjne is omgepraat, welke concessies mijn vader heeft moeten doen, ik weet het niet, maar toen ik op mijn verjaardag ’s middags van school thuiskwam, waren mijn vader en een onbekende man in de tuin “aan het werk” met een hond die zij luider stemme Kazan noemden.
Kazan heette mijn hond! Hij was een Dobermann pinscher, het soort waar ik op straat met een grote boog omheen ging, de oren en de staart gecoupeerd, zoals toen vanzelf sprak. Mijn vader gooide iets weg, een stokje dacht ik, en schreeuwde opgewonden “Zoek”. De hond rende de struiken in en kwam er meteen weer uit te voorschijn, met het iets zijn bek. “Apport” riep de vreemde man en de hond bracht hem het dingetje terug. “Los”, zei de man en Kazan liet het stokje vallen.
“En hij kan nog veel meer, Ruud,” riep mijn vader opgetogen. “Kijk maar! – Kazan, zit”. Mijn hond ging netjes zitten. “Af” was liggen. En dan de apotheose: “Dood!” Hij rolde op zijn zij en bleef roerloos. “Mooi,” zei ik, mag ik hem aaien, denkt u?” Mijn vader keek de man vragend aan en die knikte. Het mocht. “Zit”. Ik stak mijn hand uit en aaide mijn hond. Hij reageerde nauwelijks. Maar bijten deed hij ook niet.
“Dus hij bevalt je wel?” Mijn vader knikte. “Dan neem ik hem nu weer mee,” zei de man, “en dan kom ik hem morgen afleveren, compleet met zijn mand en zijn deken en de andere spulletjes.” Daar ging mijn cadeau weer. Normaliter zou ik hebben geprotesteerd, maar nu niet. Ik voelde me hangerig en slap en koortsig. Op school had ik me ook al niet lekker gevoeld. “Nou zeg!,” zei mijn vader, “Een beetje meer geestdrift is niet verboden, jongeman! Krijgt meneertje voor zijn achtste verjaardag, nog niks gepresteerd, een echte politiehond waarmee je zo in het circus kan optreden, gaat-ie me daar staan te sippen omdat Kazan één dag later komt.”
Die nacht haalde ik hem uit zijn bed. 40.3. “Het is de bof,” zei de dokter, een groot humorist. “Jij boft dat je het niet gisteren hebt gekregen, op je verjaardag, anders had je zeker niks gekrégen, haha. Ik denk dat we het over een dag of drie, vier wel weer onder de duim hebben gekrégen, ha! Nadat de koorts helemaal weg is nog een week binnenblijven, hier in het uitbouwtje, anders steek je de hele buurt aan.”
Drie dagen later voelde ik me weer kiplekker. Buiten hoorde ik mijn vader in de weer met Kazan. “Zit” woefwoefwoef en “Af” wafwafwaf. Maar wat ik ook soebatte en smeekte, Kazan mocht niet bij me. Ook niet heel eventjes maar. Weer twee dagen later liet mijn moeder, die me ranja had gebracht, de tussendeur openstaan en, woesssssjjj, in één sprong en een grauw was hij bij me op bed.
Ik denk dat hij me wilde likken, maar dat de stank van de ziekte (en de zieke) en de vreemdheid van kamer en patiënt hem uit balans hebben gebracht. Ik gilde, natuurlijk, want ik schrok me rot, maar een wond mocht het nauwelijks heten, dat krasje en die zwelling onder mijn oog. Ofschoon mijn vader aanvankelijk nog aarzelde, was mijn moeder een furie die schreeuwde en tierde tot men haar zin deed.
DOOD! Nog dezelfde dag.
---
